7 / 10
Esther Vergeer: 'Ik benaderde mijn ziekte als topsport'

Esther Vergeer: ‘Ik benaderde mijn ziekte als topsport’

Voormalig rolstoeltennister Esther Vergeer (42) was pas vier maanden moeder van haar dochter Jinte toen ze in januari 2020 de diagnose borstkanker kreeg. ‘Ik viel keihard van mijn roze wolk, maar benaderde mijn ziekte al snel zoals ik voorheen deed met topsport. Toen was mijn doel goud winnen, nu was het beter worden.’

‘Borstkanker betekent totale overgave aan iets onbekends. Om grip te krijgen op een onzekere situatie moest ik vertrouwen hebben in het medisch team en in het behandelplan dat we samen maakten. Toen ik de diagnose kreeg, wist ik eigenlijk helemaal niet zoveel over ziekte. In eerste instantie associeerde ik kanker met de dood en dat beklemmende gevoel smeet me direct van mijn roze wolk af. Want vier maanden daarvoor was Jinte geboren, met hulp van een draagmoeder was onze langgekoesterde wens eindelijk in vervulling gegaan. Na de mammografie en echo bleek het duidelijk foute boel te zijn, maar volgden er nog allerlei onderzoeken en biopten waarmee het behandelplan werd bepaald. Die periode vond ik het zwaarst, omdat ik wist dat ik borstkanker had, maar nog niet wat me te wachten stond.

Geen zielig vogeltje

Na anderhalve week bleek het triple-negatieve borstkanker te zijn en moest ik zo snel mogelijk starten met chemotherapie. De artsen in het Alexander Monro Ziekenhuis in Bilthoven zeiden: “Je bent ziek, maar je bent ook moeder en vrouw, misschien wil je wel op vakantie of aan het werk. We gaan proberen de behandelingen daaromheen te plannen”. Dat gaf geen garantie dat ik me ook goed genoeg voelde om wat te ondernemen, maar het was precies de manier waarop ik als patiënt benaderd wilde worden. Ze zagen me daar niet als een zielig vogeltje, heel prettig.

Kussen vol haren

Een week na mijn tweede chemo begon het ABN AMRO Open rolsstoeltennistoernooi, daar wilde ik graag bij zijn. Dat wierp het volgende probleem op: red ik het met mijn eigen haar? Als toernooidirecteur is het belangrijk om representatief voor de dag komen, omdat ik daar gasten en klanten ontvang. Ik wilde niet met een vlassig kapsel rondrijden en elke ochtend in het hotel wakker worden met een kussen vol haren. Samen met mijn vriend Marijn besloot ik mijn hoofd kaal te scheren. Ik zat daarna nog wel te hannesen met die pruik hoor, en had een aantal mensen gevraagd me een seintje te geven als ‘ie niet goed zat. Daar was ik bewust mee bezig. Zo vermoeiend, na die week heb ik ‘m nooit meer gedragen. Dat komt waarschijnlijk ook omdat kort daarna de eerste lockdown als gevolg van de coronapandemie begon en iedereen thuis in zijn joggingbroek zat. Ik droeg een mutsje, dat zat veel lekkerder, kriebelde niet en stond ook leuk.

Eenzaam door Corona

Vanaf dat moment mocht er niemand meer mee naar behandelingen en kwam er ook nog maar amper bezoek. Mijn vriendinnen hebben me nooit op mijn allerslechtst gezien. Zat ik daar in mijn eentje aan dat chemo-infuus, toen voelde ik me wel zielig. Ik werd absoluut gesteund door telefoontjes, kaarten, berichten, bloemen en ga zo maar door. Maar echt delen waar je op dat moment doorheen gaat, lukt op afstand gewoon niet. Voor een klein clubje mensen maakten we een uitzondering. Mijn ouders en schoonouders kwamen wel om ons te helpen of pasten op Jinte, zodat we een nacht door konden slapen net na een kuur. Corona maakte mijn proces dan wel eenzamer, maar zorgde er ook voor dat Marijn, Jinte en ik bijna een jaar onafgebroken samen konden zijn en dat was ook waardevol. 

Jinte was óók degene die me juist energie gaf en me door dit hele proces trok, hoe klein ze ook was. Al voelde ik me slecht, van een rondje met haar door het park knapte ik altijd weer op. Vaak nam ik haar mee in een draagzak, zodat ik mijn handen vrij had om te rollen. Of ik duwde zowel de wandelwagen als mijn eigen stoel. Het gaf me zo’n goed gevoel dat ik met mijn eigen kind over straat ging. Er ging wel altijd iemand mee, om te helpen bij bruggetjes, scheve stoepen of als ik te vermoeid werd.

Esther Vergeer op verschillende momenten tijdens haar behandelingen. De foto's zijn van Esther zelf.

Topsport 

Na de chemo volgden nog een operatie en een serie dagelijkse bestralingen. Mijn ziekte benaderde ik als topsport met als enige doel: beter worden. Dus vinkte ik behandelingen af en zorgde zo goed mogelijk voor mijn lijf door in beweging te blijven en op mijn voeding te letten. Dat gaf me houvast in een onzekere tijd. Drie jaar geleden had ik de laatste bestraling. Op zich heb ik weinig restklachten, maar ik ben wel alert op wat ik voel. Ik heb sneller last van mijn schouder, dat heeft wellicht te maken met de operatie aan mijn borst. En soms merk ik dat ik me minder lang kan concentreren. Maar ja, is dat een gevolg van de chemotherapie of heb ik het te druk en overzie ik mijn werkschema niet? Tot mijn zestigste word ik elk half jaar gecontroleerd in het ziekenhuis. Hoe goed het nu ook gaat, in mijn achterhoofd houd ik er rekening mee dat de ziekte ooit terugkomt. Omdat ik een agressieve vorm had en nog relatief jong was toen ik kanker kreeg. Op die manier neem ik mezelf ook een beetje in bescherming en valt slecht nieuws niet nog een keer zo rauw op mijn dak. Ik ben daar overigens niet dagelijks mee bezig, ik geniet juist van het leven en van onze dochter.’ 

In het vorige nummer van BladB stond een artikel over triple negatieve borstkanker. Hierin vertelt internist-oncoloog Sabine Linn, internist-oncoloog in het Antoni van Leeuwenhoek en hoogleraar oncologie bij het UMCU over nieuwe behandelingen.