Nummer 39
voorjaar 2026
'We moeten anders leren kijken naar kanker'
Onder meer in deze editie
  • Yora Rienstra: 'Het sterkt me te zien hoe veerkrachtig vrouwen zijn'
  • Tieners belanden bij ziekte van een ouder in een spagaat
  • Vrijwilligers Monika en Lia: 'De dankbaarheid ontroert ons'
  • Anti-hormonale therapie onder de loep

Inhoudsopgave

Voorwoord
Aandacht voor iedereen
‘We moeten anders leren kijken naar kanker’
Yora Rienstra: ‘Het sterkt me te zien hoe veerkrachtig vrouwen zijn’
Anti-hormonale therapie onder de loep
Tieners belanden bij ziekte van een ouder in een spagaat
Het pathologierapport: wat is het en wat kun je ermee?
Vrijwilligers Monika en Lia: ‘De dankbaarheid ontroert ons’
Voorwoord

Aandacht voor iedereen

Het zal de lezers van dit blad ongetwijfeld opvallen: een nieuwe naam onder dit voorwoord, van een verder heel vertrouwd nummer van Blad B. Directeur Cristina Guerrero Paez is sinds 16 maart 2026 gestopt met haar werkzaamheden als directeur van Borstkankervereniging Nederland. Op verzoek van het bestuur neem ik als interim-directeur haar taken voorlopig over. Ik kijk ernaar uit om dit samen met het team en alle vrijwilligers te gaan doen.  

Borstkankervereniging Nederland blijft zich vanzelfsprekend inzetten voor iedereen die door borstkanker geraakt wordt. Onderwerpen als uitgezaaide borstkanker, samen beslissen, erfelijke aanleg en late gevolgen blijven onverminderd belangrijk. 

In dit nummer van Blad B vertelt cabaretier Yora Rienstra openhartig over haar diagnose en waarom zij zich sindsdien inzet voor vrouwen met dicht borstklierweefsel. Psycholoog en auteur Marije van der Lee pleit in haar boek De psychologische impact van kanker voor een andere manier van kijken naar mensen met kanker — niet alleen naar de ziekte, maar naar de mens daarachter. 

Ook besteden we aandacht aan het gezin. Eline Aukema van het Ingeborg Douwes Centrum, een expertisecentrum op het gebied van psycho-oncologie, deelt praktische tips over praten met tieners, aangevuld met eerlijke verhalen van vier vrouwen die laten zien hoe ingewikkeld én waardevol die gesprekken kunnen zijn. Verder laten twee vrijwilligers uit Zeeland zien hoe onmisbaar lokale steun is en hoe hun inzet wordt ontvangen. 

In deze editie leggen we ook uit wat er in een pathologieverslag staat en welke informatie voor jou belangrijk kan zijn om te begrijpen. Tot slot gaan we dieper in op anti-hormonale therapie: wat houdt deze behandeling precies in, en hoe ervaren vrouwen deze behandeling in het dagelijks leven? 

We hopen dat dit nummer je herkenning, kennis en steun biedt. Want hoe verschillend verhalen ook zijn, niemand hoeft dit alleen te dragen. Borstkankervereniging Nederland heeft aandacht voor iedereen. 

Laat je inspireren, verrassen en uitdagen door al deze verhalen. 

Ik wens je veel leesplezier en een fijn voorjaar toe! 

Carla Derijck 

Directeur a.i.  Borstkankervereniging Nederland 

Gesproken voorwoord? Klik hier.

‘We moeten anders leren kijken naar kanker’

Wie kanker krijgt, krijgt te maken met artsen, behandelingen en schema’s. Maar ook met angst, onzekerheid en reacties van anderen. In haar boek De psychologische impact van kanker pleit Marije van der Lee voor een andere manier van kijken naar mensen met kanker: niet naar losse klachten, maar naar het hele netwerk van factoren dat iemands leven beïnvloedt.

‘Dat de impact van kanker groot is, lijkt me duidelijk’, begint Marije van der Lee. Zij is hoofd wetenschappelijk onderzoek en gezondheidspsycholoog bij het Helen Dowling Instituut en hoogleraar psycho-oncologie aan Tilburg University. ‘De impact verandert in de verschillende fases die deze ziekte kent. Bij de diagnose is er vooral veel onzekerheid. Tijdens de behandeling zijn patiënten zó druk bezig met overleven, dat ze zelf weinig ruimte hebben om stil te staan bij wat er allemaal gebeurt. De omgeving ziet dat wel, zij staan tijdens de behandelingen aan de zijlijn en voelen zich vaak in de war en verdrietig. Als de medische behandelingen voorbij zijn, is die omgeving vooral opgelucht: het is achter de rug.’

Op het moment dat de vaste structuur van behandelingen wegvalt, dringt bij veel patiënten de vraag zich op hoe je terugkeert naar het oude leven, als dat al kan. ‘Veel mensen ontdekken dat ze blijvende beperkingen hebben, fysiek én mentaal, en voelen dat ze niet meer dezelfde zijn. Vaak zit de omgeving dan in een andere fase: die haalt alweer opgelucht adem en heeft langzaam minder aandacht voor de patiënt. Dat is allemaal logisch, maar juist daar wringt het. Emoties horen bij ons mens-zijn en bij het dagelijks leven. Ze zijn een manier om te communiceren met anderen. Maar je hebt wel ruimte nodig om te kunnen voelen wat je voelt. En als je omgeving vooral blij is, of zegt: “je mag niet opgeven”, dan is er eigenlijk geen plek voor het verdriet dat je voelt. Dan kun je daar nergens mee naartoe, dat maakt het zo lastig.’

Neem emoties serieus

Van der Lee vervolgt: ‘Een belangrijke boodschap in mijn boek is dat lichaam en geest niet gescheiden zijn. Het is niet gek om psychische klachten te ervaren door de confrontatie met kanker. Als reactie op kanker zijn allerlei emoties normaal, ook als het gevoelens zijn die je niet kent van jezelf. En als het lukt om die emoties toe te laten, nemen ze vaak vanzelf weer af. Het is belangrijk om je te realiseren dat emoties richtingaanwijzers zijn in dit hele proces. Die moet je niet onderdrukken, maar serieus nemen. Probeer te onderzoeken wat je voelt – hoe lastig dat soms ook kan zijn. Soms word je overspoeld door angst. Dat betekent niet dat er iets ernstigs aan de hand is, het is vooral een onprettig gevoel. Je kunt leren tegen jezelf te zeggen “ik voel me nu angstig, dat mag, het hoort erbij”. En vervolgens kan het helpen om een ontspanningsoefening te doen en je aandacht te vestigen op je lijf, zodat je hoofd tot rust kan komen.’

Netwerk van factoren

Kanker heeft vaak invloed op vele domeinen, schrijft van der Lee in haar boek. Het raakt je lichaam, het raakt aan zingeving, het raakt je naasten, het raakt de manier waarop je eerder met andere problemen omging en het raakt je identiteit. Het is eigenlijk verrassend dat door kanker niet iedereen uit evenwicht raakt en vast komt te zitten in elkaar versterkende klachten en krachten. Van der Lee: ‘Als je emoties blijft wegduwen of er juist overmatig over gaat piekeren, kom je in een vicieuze cirkel waarin emoties, gedachten en gedrag elkaar versterken. Ik ken bijvoorbeeld vrouwen die slecht slapen door pijn in hun lijf of door opvliegers, ze liggen te piekeren over die pijn en de gevolgen van de ziekte, zijn hyperalert op andere klachten in hun lijf en maken zich daar zorgen over. Dat brengt spanning met zich mee, ze slapen nog slechter, staan vermoeid op, slepen zich door de dag en hebben geen zin in afleiding of om leuke dingen te doen. Met meer isolatie, angst en somberheid als gevolg. Mensen zitten dan vast in een netwerk van elkaar versterkende factoren. En in plaats van dat emoties je helpen, zitten ze je in de weg.’

Mens als geheel

Van der Lee pleit ervoor dat patiënten niet alleen in hun omgeving anders worden gedragen, maar ook in het hele zorglandschap. De kankerzorg in Nederland is heel goed, maar ook versnipperd. De aandacht gaat vaak uit naar het medisch bestrijden van de ziekte, terwijl de mens achter de patiënt gemakkelijk uit beeld raakt. Van der Lee: “Als je kanker krijgt, ontmoet je verschillende hulpverleners die zich allemaal bezighouden met een stukje van de zorg. Alle specialisaties hebben voor heel veel medische kennis gezorgd. Maar als patiënt kun je je wel versnipperd voelen en zo kan de samenhang in jouw proces uit beeld raken. We kunnen niet verlangen dat iedere arts alles weet. Maar het helpt al als iedere arts zich er wel bewust van is dat hij of zij maar één deel van het geheel ziet. Daarnaast zou wat mij betreft psychologische kennis over gedrag en de mentale impact van kanker al vanaf de diagnose een vanzelfsprekend onderdeel van de zorg moeten zijn. Dat hoeft niet per se meer tijd te kosten. Het heeft ook te maken met de kwaliteit van het contact, in echt even aanwezig zijn, iemand aankijken en goed samenwerken als team.’

Anders leren kijken

De oplossing zit in anders leren kijken naar deze ziekte en oog te hebben voor de samenhang tussen mentale en fysieke aspecten. Maar zo benadrukt Van der Lee: ‘De werkelijkheid is oneindig complex. Om grip te krijgen op die complexiteit hebben we ordening nodig, onderscheiden we categorieën en worden er woorden en labels aan gegeven. Vanuit daar moeten we uitzoomen en per persoon kijken wat er nodig is – liefst om te voorkomen dat diegene vastloopt.’ En wat als je zelf ervaart dat je vastzit in je gevoel? Van der Lee is heel helder: ‘Trek aan de bel bij iemand bij wie je een goed gevoel hebt. Dat kan je huisarts zijn, een verpleegkundig specialist, een casemanager. Of een goede vriend of vriendin die jou vervolgens weer kan helpen de juiste hulp in te schakelen. Het is een ingewikkelde puzzel. We hebben een meer holistische aanpak nodig, waarin je niet alleen wordt gedragen door zorgverleners, maar ook door de mensen om je heen. Dit proces verloopt zelden rechtlijnig; het vraagt tijd, geduld en zorg voor jezelf, met steun van anderen.’

Yora Rienstra: ‘Het sterkt me te zien hoe veerkrachtig vrouwen zijn’

Cabaretier, columnist en programmamaker Yora Rienstra (45) kreeg in april 2025 de diagnose borstkanker. Een klap die ze nog steeds aan het verwerken is. Tegelijkertijd heeft ze maar één doel: meer bewustzijn creëren rondom borstkanker, én betere screening van vrouwen met dicht borstklierweefsel – of ze dat nu bereikt via stand-up comedy of een kritische radiocolumn. ‘Humor is mijn uitlaatklep.’

‘Vrouwen vinden het soms moeilijk dat ik grappen maak over mijn borstkanker. In mijn eindejaarsvoorstelling Vrouwejaars, die ik sinds drie jaar in wisselende samenstelling speel met vrouwelijke cabaretiers als Kim Schuddeboom, Kiki Schippers, Katinka Polderman en Vera van Zelm, vertelde ik een anekdote over de marteling van de mammografie. Ik kreeg een mail van een bezoeker die zei: “Je doet er zo stoer over, maar het is verschrikkelijk!” En dat is ook zo. Maar humor is voor mij geen stoerdoenerij, het is mijn manier om mijn diagnose leefbaar te houden. Die diagnose: lobulair carcinoom met een diffuus patroon. Iedereen verwerkt dat anders. Evengoed maakte ik een paar weken na mijn diagnose een serieuze, kritische radiocolumn over de noodzaak van MRI-scans bij vrouwen met dicht borstweefsel.

Voorop: medisch gezien gaat het goed met mij. In oktober 2025 verklaarden de artsen me na een operatie en een bestralingstraject schoon. Dat is de fysieke kant. Mentaal ben ik de klap nog steeds aan het verwerken. Ik denk nog elke dag aan mijn ziekte, heb flashbacks en ik denk vaker aan de dood.

Zelfonderzoek

Ik heb grote borsten met dicht klierweefsel. Dat betekent dat als ik mezelf controleer, ik altijd van alles voel: bobbels, ribbels, knobbeltjes – een soort zwarte buckelpiste. Ik heb last van angsten en ben een hypochonder, dus sloeg ik zo’n check lange tijd liever over. Mijn oma, de moeder van mijn vader, heeft ooit borstkanker gehad. Mijn vader vertelde het mijn zus en mij toen we al wat ouder waren, we wisten allemaal niets over erfelijkheid. Bovendien: ze overleed op jonge leeftijd aan iets anders, ik heb haar nooit gekend.

Op advies van de huisarts liet mijn vader zich toch onderzoeken in het Antoni van Leeuwenhoek-ziekenhuis in Amsterdam. Als hij het BRCA-gen niet zou hebben, zouden wij als dochters ook veilig zijn. Gelukkig had hij het niet, en voelde ik me enigszins gerustgesteld.

De serie Linda’s kankerverhaal die documentairemaker Linda Hakeboom vanaf eind 2020 uitzond op linda.nl opende mijn ogen: jezelf controleren is van levensbelang. Daarbij kwam ik vijf jaar geleden toevallig mijn eerste liefde tegen, ik had een relatie met haar toen ik 25 was. Ze had uitgezaaide borstkanker, vertelde ze. Een aantal jaar bleef ik af en aan in haar leven, maar in het laatste jaar van haar leven ben ik heel dichtbij haar en haar familie geweest, dat raakte me enorm.

In die periode zat ik zelf al in de medische molen. Op een mammografie, die ik kreeg nadat ik een bobbeltje voelde, waren kalkspatjes te zien. Die kunnen een voorstadium zijn van borstkanker, maar ze veranderden niet. Op een gegeven moment zeiden de artsen: kom maar terug als je iets voelt. Dat deed ik continu. Dan ging naar de huisarts, kreeg weer een mammografie, en bleek het keer op keer niets.

Medisch gezien geluk

In oktober 2024 ontdekte ik iets in mijn linkerborst. In het Antoni van Leeuwenhoek deden ze een mammografie en een echo. Aan de andere kant zat de tumor er toen waarschijnlijk al, maar die ontdekten ze pas een halfjaar later, in april 2025, toen ik opnieuw iets voelde. “Ik voel niets wat meteen verdacht is”, zei de huisarts. “Het is geen typisch knobbeltje, het voelt meer als een harde klier, maar better safe than sorry. Dus verwees ze me door. Tijdens de echo bleef de radioloog wel héél lang op één punt hangen, tot ze zei: “Ik zie een plekje”. Ik wist meteen dat het niet goed was. Ik kreeg een punctie, ook van een verdikte klier in mijn oksel, en regelde in gedachten mijn begrafenis al. Ik kon alleen maar huilen en hyperventileren. Mijn vrouw zat met onze jongste zoon van 8 in het zwembad en was onbereikbaar. In de zon terwijl ik wachtte belde ik mijn zus, mijn ouders. En toen ik na anderhalf uur de spreekkamer weer binnenliep en een maatschappelijk werkster trof, wist ik dat het fout was.

Daarna begon de ergste week van mijn leven. Ik had kanker, maar verder moest alles nog duidelijk worden. Wat voor soort het was, hoe agressief, of het was uitgezaaid? Ik kreeg opnieuw een genetisch onderzoek, bloedtesten. En eindelijk een MRI, waarvan ik later dacht: die had ik in oktober al moeten krijgen, want op een mammografie was mijn type tumor ook zonder mijn dichte klierweefsel niet te zien, die is een soort kameleon. Ik ontdekte een wereld waarvan ik niet wist dat hij bestond. Met verschillende soorten borstkanker, hun groeisnelheden en agressie. Vijftien procent van de vrouwen met borstkanker heeft mijn type, leerde ik. Ik werd geopereerd en bestraald, het Antoni van Leeuwenhoek behandelde me fantastisch. Medisch gezien had ik geluk.

Humor als uitlaatklep

Onze zonen, nu 13 en 8, vertelden mijn vrouw en ik het pas toen alle uitslagen binnen waren. Gelukkig kon ik ze redelijk positief nieuws vertellen binnen een rotboodschap: het komt vaak voor, ze kunnen me opereren, ik word behandeld. De stiefoma van mijn oudste zoon had dit ook gehad, wist mijn oudste, en die was er weer bovenop gekomen. Dat hielp. Het was de dag voor Moederdag, en de volgende dag hadden ze een schilderijtje voor me gemaakt met borsten en hartjes. Zó ontroerend. We hebben school ingelicht zodat ze er daar over konden praten en hebben geprobeerd hun leven zo normaal mogelijk door te laten gaan. Voor mij viel de operatie mee. De bestraling vond ik zwaarder, maar het mentale aspect vond en vind ik het zwaarst. Ten tijde van de diagnose was ik ook nog bezig met het verwerken van het overlijden van mijn ex-vriendin. Rouwen om iemand van je eigen leeftijd is rauw. Daarover praat ik met een psycholoog. En ik slik nu medicatie tegen mijn angst.

Mijn werk is mijn houvast. Ik ben al snel weer gaan spelen en columns gaan schrijven. Humor is mijn uitlaatklep. Doordat ik in Vrouwejaars die mammografie zo uitvergrootte, zag het publiek ook hoe belachelijk het is wat vrouwen moeten ondergaan. In de voorstelling vroeg ik vaak wie borstkanker had of had gehad, en elke avond gingen er zeven, acht, negen handen omhoog. En waren vast nog meer die hun hand niet opstaken. Want het is zo eenzaam, zo’n proces. Niemand kan het van je overnemen. En als je schoon bent verklaard, denkt iedereen: klaar, door. Terwijl dan het verwerken pas begint.

Lotgenoten

Ik vind het heftig dat vrouwen met dicht borstklierweefsel niet standaard een echo of MRI krijgen. Mammografie werkt bij ons vaak gewoon niet goed. Het gaat over geld en capaciteit, maar het kost levens. Ik neem de artsen niets kwalijk, zij doen wat ze kunnen binnen de richtlijnen, maar het systeem laat vrouwen in de steek. Daarom wilde ik er zo snel open over zijn.

De angst of het terugkomt zal altijd wel een beetje blijven. Maar ik weet: als het terugkomt, kunnen ze het weer behandelen. In juli krijg ik mijn eerste controle. Spannend, maar ik probeer er nu niet elke dag mee bezig te zijn. Er rust nog steeds een taboe op het woord kanker. Mensen vinden het eng en weten niet wat ze tegen je moeten zeggen. Maar juist door je verhaal te delen, voel je je minder alleen. Vraag hulp. Ook aan het ziekenhuis, ook als ze het niet uit zichzelf aanbieden. Die periode tussen de diagnose en de start van de behandeling is het moeilijkst. Ga er niet alleen mee zitten, ik heb veel gehad aan lotgenoten. Het sterkt me te zien hoe veerkrachtig vrouwen zijn.’

Anti-hormonale therapie onder de loep

Anti-hormonale therapie wordt ingezet bij hormoongevoelige borstkanker. De meeste vrouwen slikken één pilletje per dag, maar wel vaak jarenlang. Door bijwerkingen is de impact op de kwaliteit van leven soms groot.

Anti-hormonale therapie is een behandeling die wordt ingezet bij hormoongevoelige borstkanker. Ongeveer 80 van de 100 vrouwen met borstkanker hebben deze vorm. Borstkanker bij mannen bedraagt nog geen 1 procent van de jaarlijkse diagnoses, echter is bij hen in 90 procent van de gevallen sprake van een hormoongevoelige variant. Bij hormoongevoelige borstkanker groeit de tumor onder invloed van de geslachtshormonen oestrogeen en/of progesteron. ‘Anti-hormonale therapie blokkeert de aanmaak van deze hormonen of blokkeert de hormoonreceptoren op de tumor’, legt Mirte Kurstjens-Van der Spek, verpleegkundig specialist in het Antoni van Leeuwenhoek (AVL) in Amsterdam uit. Voor welke van deze behandelvarianten wordt gekozen, hangt onder meer af van je leeftijd, of je al in de overgang zit of nog menstrueert, hoe groot de tumor is en hoe hoog het risico op terugkeer van de borstkanker is.

Combineren met chemotherapie

Anti-hormonale therapie bestaat al heel lang en is de belangrijkste en meest effectieve behandeling bij hormoongevoelige borstkanker. Meestal gaat het om één klein pilletje per dag dat doorgaans vijf jaar – maar soms ook langer – moet worden geslikt. Kurstjens-Van der Spek: ‘Voorheen werd anti-hormonale therapie pas ingezet ná het behandeltraject omdat we dachten dat je deze therapie en chemotherapie niet mocht combineren. Maar we weten nu, dat dit prima kan.

Daarom starten we in het AVL bij de meeste patiënten de anti-hormonale therapie al meteen aan het begin van het behandeltraject. Dit is een redelijk nieuw inzicht en nog niet alle ziekenhuizen in Nederland behandelen op deze manier.’

Bijwerkingen

De aandacht voor anti-hormonale therapie is de laatste jaren flink gegroeid. Er is vooral meer oog voor de bijwerkingen die deze behandeling geeft. Het laat zich helaas niet helemaal voorspellen wie wel en wie niet last krijgt van klachten zoals opvliegers, spier- en gewrichtspijn, botontkalking, vermoeidheid, stemmingswisselingen, vaginale droogheid bij vrouwen, minder zin in seks en een toename in gewicht. Wel lijkt het erop dat vrouwen die hun leven lang al last hebben van hormonale klachten soms gevoeliger zijn voor dit soort bijwerkingen. En andersom: vrouwen die relatief makkelijk door de natuurlijke overgang gingen, ondervinden ook vaak weinig problemen. Het is niet zo dat je minder last hebt van bijwerkingen als je al door de overgang bent en dus minder vrouwelijke hormonen hebt. Sommige vrouwen die de overgang al achter zich hebben gelaten, hebben toch last van veel bijwerkingen. Het percentage vrouwen dat last krijgt van matige tot ernstige bijwerkingen is zo’n 30 tot 50 procent. Ook het aantal patiënten dat voortijdig stopt met de behandeling is hoog. ‘Als zorgverleners proberen we nu meer aandacht te hebben voor bijwerkingen en het managen van verwachtingen, zowel bij de start als tijdens het behandeltraject. Het belangrijkste is dat patiënten hun klachten benoemen. Twijfel niet om hiervoor contact op te nemen met je behandelend arts of verpleegkundig specialist. Helaas kunnen we niet alles oplossen, maar soms kunnen we een vervelende bijwerking wel leefbaar maken.’

Opvliegers

Vrouwen die anti-hormonale therapie krijgen en nog niet in de overgang zitten, komen vrijwel meteen in de overgang door de afname van het hormoon oestrogeen. De meest gehoorde bijwerking is dan ook opvliegers. ‘Als dit heel hevig is, bestaat er medicatie die je hiervoor kunt gebruiken. Deze medicatie is niet speciaal ontwikkeld tegen opvliegers, maar heeft als bijwerking dat ze opvliegers onderdrukken. Onlangs kwam er een nieuw middel op de markt, specifiek bedoeld tegen opvliegers, Fezolinetant. Of dit medicijn ook veilig te gebruiken is voor vrouwen met een verhoogd risico op borstkanker, is nog onbekend. Binnenkort start daar een studie naar. Veel vrouwen met opvliegers hebben ook baat bij acupunctuur of tips als het vermijden van alcohol en cafeïne.’

Veel vrouwen die anti-hormonale therapie ondergaan, komen aan in gewicht, vooral in het eerste jaar. Daarom adviseert Kurstjens-Van der Spek aan het begin van het traject al: let op je leefstijl. ‘Naast gezond eten, is het beste advies dat ik kan geven: bewegen, bewegen, bewegen. Ga sporten, doe aan krachttraining en yoga om de boel soepel te houden. Dat laatste kan ook een oplossing zijn voor een andere veel gehoorde bijwerking, namelijk spierpijn- en gewrichtsklachten. Al blijven deze spier- en gewrichtsklachten soms een moeilijk op te lossen kwaal. Als iemand alleen stijf is bij het opstaan en er na wat yogaoefeningen weer tegenaan kan, is de bijwerking draaglijk. Dat wordt een ander verhaal als iemand haar bed niet meer uitkomt en elke dag pijn ondervindt.’

Stoppen of doorgaan

Voor ongeveer de helft van de vrouwen zijn spierpijn- en gewrichtsklachten reden om te switchen naar een andere soort anti-hormonale therapie. Als ook dat nog geen verbetering geeft, kan een patiënt tijdelijk stoppen met de behandeling om te kijken of het echt aan de medicatie ligt. ‘Het is uiteindelijk onze taak als zorgverleners mee te denken met de patiënt en in te schatten hoe stevig we bij ernstige bijwerkingen moeten vasthouden aan de anti-hormonale therapie. Heeft iemand een heel hoog risico op de terugkeer van borstkanker, dan blijven we uitgebreid zoeken hoe we de bijwerkingen onder controle kunnen krijgen. Of we iets kunnen aanpassen of moeten wisselen of besluiten te stoppen. Zit een patiënt in een lage risicogroep en heeft ze al van alles geprobeerd om van vervelende klachten af te komen, zonder succes; dan moet je misschien op een gegeven moment besluiten: we maken de behandeling niet af. Het kost me te veel levenskwaliteit en die prijs is te hoog. Het risico dat je loopt om opnieuw borstkanker te krijgen als je voortijdig stopt, kunnen we onder andere berekenen met het PREDICT-model. Uiteindelijk neemt de patiënt samen met de internist-oncoloog altijd een weloverwogen beslissing.’

Kinderwens

Jonge vrouwen die anti-hormonale therapie krijgen, hebben soms nog een kinderwens. Uit een onlangs uitgevoerde studie blijkt dat vrouwen die twee jaar lang anti-hormonale therapie hebben gehad, hun behandeling veilig tijdelijk kunnen onderbreken voor een zwangerschap en het daarna weer kunnen oppakken. De kans op een natuurlijke zwangerschap is overigens kleiner na een borstkankerbehandeling. Vaak hebben deze vrouwen voordat ze het traject ingingen hun eicellen al ingevroren.

Kurstjens-Van der Spek ziet haar patiënten doorgaans maar één keer per jaar. Wat ze in élk geval één keer aankaart in de spreekkamer, is de invloed die anti-hormonale therapie kan hebben op iemands seksualiteit. Geen zin in seks en een droge vagina zijn veelgehoorde bijwerkingen. ‘Gelukkig zijn er wel hormoonvrije crèmes en glijmiddelen, zodat de start al wat beter is. En soms helpt bekkenbodemfysiotherapie als er veel fysieke spanning is ontstaan’, geeft de verpleegkundig specialist aan. ‘Ik zeg bij dit soort bijwerkingen altijd dat we wel realistisch moeten blijven. Een vluggertje zit er misschien niet meer in. Maak daar niet een al te groot probleem van. Probeer liever samen naar oplossingen te zoeken, zoals bijvoorbeeld meer tijd nemen voor elkaar.’

‘Ik realiseer me dat ik een mazzelkont ben’

Mirjam Rinzema (60): ‘In 1997 kreeg ik voor het eerst borstkanker. Ik werd geopereerd en kreeg bestraling en chemotherapie. Vijf jaar later werd ik genezen verklaard. In 2007 ontdekte ik in mijn andere borst een deukje en een knobbeltje. Het bleek hormoongevoelige borstkanker met leveruitzaaiingen. Ik was hoogzwanger, de bevalling werd opgewekt en al in de kraamtijd startte ik met chemotherapie. Dat was zwaar: een baby en veel onzekerheid over mijn toekomst. Gelukkig sloeg de behandeling goed aan en startte ik anti-hormonale therapie, wat nu Anastrozol heet. Bijna twintig jaar later gebruik ik die medicatie nog steeds, plus elke drie weken een injectie. Ik voel me goed, heb geen bijwerkingen en leef zo gezond mogelijk. Zo kan het dus ook gaan, ik realiseer me dat ik een mazzelkont ben. Aan stoppen denk ik niet. ‘Never change a winning team’, zegt mijn oncoloog altijd.’

‘De bijwerkingen beperkten me in het dagelijks leven’

Berrie Leijs (56): ‘In 2020 kreeg ik hormonale borstkanker. Na de primaire behandelingen startte ik met anti-hormonale therapie, bedoeld voor vijf jaar. Ik kreeg last van opvliegers, spierpijn- en gewrichtsklachten, kwam wel tien kilo aan en was doorlopend vermoeid.

Uiteraard heb ik alles gedaan daarvan af te komen. De opvliegers kreeg ik redelijk onder controle, maar de gewrichtsklachten niet. Ze beperkten me in mijn dagelijks leven. Wandelen met de hond lukte vaak niet meer. Na twee jaar ben ik een aantal weken gestopt om te kijken of het beter ging. Ik knapte zienderogen op en stapte over op een ander medicijn. Helaas gaf die na een poosje dezelfde bijwerkingen. Uiteindelijk moest een anti-depressiemiddel mijn zenuwen platleggen, waardoor de pijn verminderde, maar mijn emoties vlakker werden. Ik weet nog dat ik op de diploma-uitreiking van een van mijn kinderen stond. Supertrots, maar ik voelde het niet. In overleg met mijn oncoloog maakte ik de afweging: wegen de bijwerkingen op tegen het risico op terugkeer van de kanker?

De PREDICT-tool liet zien dat vijf jaar therapie mijn risico met tien procent zou verlagen; wat eerder stoppen betekent, is onbekend. Ik besloot het risico te nemen. Nu voel ik me duidelijk beter: minder gewrichtspijn, emotioneel weer mezelf en een veel hogere kwaliteit van leven. Dat is me veel waard.’

Anti-hormoontherapie wordt ook heel vaak ‘hormoontherapie’ of ‘hormonale therapie’ genoemd. Op onze website vind je meer informatie. Daar staat ook een filmpje over deze therapie.

Tieners belanden bij ziekte van een ouder in een spagaat

Wanneer kanker een gezin treft, raakt dat iedereen. Maar praten met tieners over ziekte blijkt vaak ingewikkeld. Dat is geen onwil, maar heeft alles te maken met de ontwikkelingsfase waarin zij zich bevinden. Gezondheidszorgpsycholoog Eline Aukema geeft tips.

‘Tieners zitten midden in een enorme lichamelijke en mentale ontwikkeling’, begint Eline Aukema, hoofd bij het Ingeborg Douwes Centrum en gezondheidszorgpsycholoog gespecialiseerd in kanker. ‘Ze zijn bezig met het vormen van hun eigen identiteit, maken zich los van hun ouders en richten zich steeds meer op leeftijdsgenoten en hun eigen leven. Het gezin dat jarenlang het middelpunt was, krijgt minder focus en de wereld daarbuiten trekt. Juist in deze fase komt een diagnose hard binnen. Want waar hun ontwikkelingstaak vraagt om afstand nemen, vraagt een zieke ouder vaak om nabijheid, praktische hulp en emotionele steun. Dat kan zorgen voor een spagaat. Daar komt bij dat het brein pas rond het 25e levensjaar volledig is uitontwikkeld. Jongeren hebben dus nog niet altijd het emotionele gereedschap om met zo’n ingrijpende situatie om te gaan en ze hebben hun ouders nog steeds nodig.’

Open communicatie

‘Open en eerlijke communicatie is belangrijk, maar wel afgestemd op het kind en de situatie. Wat vertel je wel, wat nog niet? Veel gezinnen vallen onbewust in wat de ‘wet van de dubbele bescherming’ wordt genoemd: ik bescherm mezelf door de ander te beschermen. Het gevolg kan zijn dat gezinsleden niet vertellen hoe het echt gaat. Dat kun je doorbreken door afspraken te maken. Bijvoorbeeld één keer per maand samen zitten en het erover hebben. Praten hoeft niet altijd aan de keukentafel. Juist tijdens een wandeling, in de auto of tijdens een activiteit praten jongeren vaak makkelijker. Je hoeft elkaar dan niet constant aan te kijken en emoties voelen minder overweldigend.’

Boosheid hoort erbij

‘Sommige pubers reageren met boosheid. Dat kan heftig en pijnlijk zijn, maar boosheid is ook een gezonde emotie: het is een manier om machteloosheid te uiten. Belangrijk is om te beseffen dat die boosheid niet tegen jou als ouder is gericht, maar tegen de situatie. Je tiener is geen vriend of steunpilaar, maar het is je kind. Die rol mag je niet omdraaien. Het kan helpen om de ziekte te zien als een extra ‘huisgenoot’. Iets waar jullie samen last van hebben. Dan kun je samen boos zijn op die rotziekte, in plaats van op elkaar.’

Blijf in contact

‘Uiteindelijk geldt: je kind is en blijft een tiener, met een extra ingewikkeldheid. Blijf contact zoeken, blijf vragen hoe het gaat en accepteer ook als het antwoord kort of afhoudend is. Soms deelt een jongere zijn zorgen liever met iemand anders (een vriend of familielid) en dat is prima. Het belangrijkste is dat ze weten dat de deur altijd openstaat.’

Vorig jaar kreeg Christa (59) na het bevolkingsonderzoek de diagnose borstkanker. Haar dochter Lindsey was toen 16.

‘Ik vertelde het haar meteen. Ze zag dat ik had gehuild en zo begon het gesprek. Daarna trok ze zich steeds meer terug. Ze werd stiller en afstandelijker. Dat deed pijn, maar ik begreep het ook. Ze was een puber, bezig met haar eindexamen en haar eigen leven. Onze communicatie is nog steeds moeizaam, met veel irritatie en korte antwoorden. Typisch tienergedrag. Toch zijn er ook mooie momenten. Ik probeer vast te houden aan onvoorwaardelijke liefde, hoezeer ze me soms ook kwetst in haar boosheid. Door mijn ziekte is er wel afstand ontstaan, alsof er iets tussen ons in staat. Ik blijf bewust de verbinding zoeken: vragen om een knuffel, en vragen hoe het met háár gaat. Achteraf had ik gewild dat we vanaf het begin samen hadden kunnen praten, met mijn man erbij en met hulp van iemand van buitenaf die met een open blik naar ons gezin had kunnen kijken.’

Vier jaar geleden kreeg Alice (53) de diagnose borstkanker. Haar twee dochters, Britt (15) en Savannah (17), en zoon Jesse (21) reageerden alle drie anders.

‘Mijn man en ik besloten vanaf het begin alles te delen, ook toen het nog onzeker was. We wilden geen geheimen. Uitslagen vertelden we meteen, met als houvast een overlevingskans van 100 procent. De reacties van onze kinderen verschilden sterk. Onze zoon is een binnenvetter; we vertelden het hem toen zijn vriendin er ook was, zij werd heel belangrijk voor hem. Onze dochters reageerden met veel knuffelen en huilen. De jongste nam meteen de zorgrol op zich, terwijl je denkt: een moeder hoort voor haar kind te zorgen. De oudste benoemde haar angst, maar trok zich terug en verloor haar vrolijkheid. Uiteindelijk had juist de jongste psychologische hulp nodig. We hielden de communicatie open door steeds te vragen hoe het ging, vaak één op één tijdens het uitlaten van de hond. Dan ontstond er ruimte. Op goede dagen probeerde ik het normale leven terug te pakken en sterk te blijven voor de kinderen. Ik wilde niet instorten, ik wilde hen kunnen opvangen. Huilen deed ik vaak als zij er niet bij waren, al was het soms niet te verbloemen.’

Ruim acht jaar geleden ontdekte Lydian (57) een knobbeltje in haar borst; het bleek kanker. Ze had toen een dochter van 18 en een uitwonende zoon van 20.

‘Mijn dochter ging mee naar het ziekenhuis voor de uitslag, daarna vertelden we het direct aan mijn zoon. Hun reacties waren vrij laconiek, wat past bij ons open gezin met een positieve instelling en ruimte voor zwarte humor. Alles is bespreekbaar, ik wil geen geheimen. Ziekte hoort bij het leven, hoe vervelend het ook is. Ze zagen hoe ziek ik werd en dat deed hen veel, maar we spraken er weinig over. Helpen en betrokken zijn was onze manier van communiceren. Mijn dochter ging vaak mee naar de chemotherapie. Humor hielp enorm, lag mijn haarstuk op mijn schoot, dan zei mij dochter bijvoorbeeld: “Ben je nou je fluffy aan het aaien?” Dan hadden we samen de grootste lol.

Net als toen ze mijn ‘nieuwe’ haar helemaal roze spoot met een pot haarlak. Achteraf had ik soms meer willen praten, maar mijn eigen angst hield ik liever voor mezelf. Ik heb door alles wat er gebeurd is wel een korter lontje gekregen, maar aan mijn kinderen merk ik weinig verandering.’

Annemarie (53) kreeg in 2024 de diagnose uitgezaaide borstkanker, zoon Tom was 18.

‘Toen ik mijn zoon vertelde dat ik ziek was, reageerde hij eerst boos en liep weg. Daarna lag de focus vooral op: wat gaat er gebeuren? Over emoties spraken we weinig; hij is een echte binnenvetter. Voor mijn diagnose waren we heel close. Zijn vrienden kwamen vaak over de vloer, we waren een soort inloophuis. Na de diagnose was hij vaker buitenshuis, toch bleef onze band sterk. Toen hij me vertelde dat hij de marathon van Amsterdam voor het KWF ging lopen, hakte dat er behoorlijk in. Het is zijn manier om te laten zien dat mijn ziekte hem raakt. Ook vertelde hij een keer dat hij het liefst wilde dat mijn haar weer normaal was en dan liet hij foto’s zien van vóór ik kaal werd. Communiceren met woorden blijft lastig. Hij praat weinig, schiet vaak in de verdediging en kapt mijn vragen af. Ik had wel behoefte aan meer tijd samen, meer contact, vaker een arm om me heen. Uiteindelijk hebben we samen een manier gevonden om dit te dragen, op onze eigen manier.’

De naam Annemarie is om privacyredenen gefingeerd.

Vijf tips van Eline Aukema. Zij is gezondheidszorgpsycholoog gespecialiseerd in kanker en hoofd bij het Ingeborg Douwes Centrum, dat is een expertisecentrum op het gebied van psycho-oncologie .

  1. Wees open, maar stem wat je deelt af op de leeftijd, het karakter en de behoeften van je kind(eren) en op jullie situatie.
  2. Het kan helpend zijn om vaste momenten af te spreken waarop jullie samen stilstaan bij wat er speelt, bijvoorbeeld eens per maand.
  3. Gesprekken verlopen vaak gemakkelijker tijdens een gezamenlijke activiteit, zoals wandelen, koken of autorijden.
  4. Als praten met jou lastig is voor je kind, kan het helpend zijn om een andere vertrouwde volwassene in te schakelen.
  5. Besef dat veel jongeren moeite hebben met het verwoorden van emoties. Dit is geen onwil, maar hoort bij hun ontwikkeling. Vaak laten zij hun betrokkenheid liever zien door praktisch te helpen — erken en waardeer dat ook als een betekenisvolle vorm van betrokkenheid.

Het pathologierapport: wat is het en wat kun je ermee?

Van labuitslagen tot brieven aan je huisarts: waarschijnlijk geeft ook jouw ziekenhuis je via internet toegang tot je medische gegevens. Steeds meer ziekenhuizen voegen daar het pathologierapport aan toe. Wat staat daarin en wat heb je eraanWe vragen het patholoog dr. Emilie Groen, gespecialiseerd in borstkanker, van het Antoni van Leeuwenhoek – Nederlands Kanker Instituut in Amsterdam. 

Een patholoog is een medisch specialist die ziekten vaststelt door lichaamsmateriaal zoals cellen, lichaamsvloeistoffen en weefsel te onderzoeken. Bijvoorbeeld om de aard van een afwijking, zoals kanker, te bepalenDe uitkomst van het onderzoek door de patholoog wordt beschreven in het pathologierapport. Met dit rapport, plus andere uitslagen van bijvoorbeeld de radiologie, kan het behandelteam de diagnose zo goed mogelijk stellen. Het bevat details over de soort en grootte van de tumor en – indien van toepassing – aanwezigheid van tumor in lymfeklieren of op andere plekken in het lichaam. Met enig begrip van je pathologierapport kun je beter samen met je arts beslissen over je behandeling.  

Medische materie

Het pathologierapport staat vol medisch jargon. Het is dan ook bedoeld voor het multidisciplinair overleg van medisch specialisten. Radiologen, pathologen, chirurgen, bestralingsartsen en internist-oncologen bespreken de informatie om gezamenlijk de diagnose te bevestigen en op basis daarvan te kiezen voor de beste behandeling.  

De informatie kan je overweldigen en misschien zelfs verontrusten als je bijvoorbeeld zelf de betekenis op internet gaat opzoeken. Je kunt het rapport niet los zien van andere bevindingen, meent dr. Emilie Groen. ‘Beter vraag je daarom je behandelend arts of hoofdbehandelaar om toelichting. In grote lijnen leggen we uit wat er in het rapport staat.’ 

‘Het allerbelangrijkste voor de patiënt is natuurlijk de conclusie met de diagnose’, vertelt Groen. ‘Is de afwijking kwaadaardig of niet? En als die kwaadaardig is, hoe ernstig is het? Dat hangt van veel factoren af, zoals de plek, grootte en soort van de tumor. Dat staat allemaal in het rapport.’ 
Het pathologisch onderzoek en de rapportage gebeurt volgens een richtlijn met een vaste checklist. Zo ziet de patholoog niets over het hoofd en zijn de rapporten voor wetenschappelijk onderzoek goed vergelijkbaar. 

Het rapport opent meestal met de klinische geschiedenis. Dat is belangrijke informatie van je arts voor de patholoog over symptomen, uitslagen van scans en de reden waarom het onderzoek is aangevraagd. Deze informatie helpt de patholoog om de juiste diagnose te kunnen stellen. 

Macro- en microscopisch onderzoek 

Als eerste beschrijven we wat voelbaar en met het blote oog zichtbaar is, vervolgt Groen. Dit is het macroscopisch onderzoek. Daarnaast bekijken we het weefsel onder de microscoop. We beschrijven bij een tumor de grootte, de vorm en het uiterlijk. Ook bepalen we of er tumorcellen zichtbaar zijn in vaatjes en of alles verwijderd is. Met andere woorden: zijn de snijranden vrij? Het kan ook zijn dat we zogenoemd ductaal carcinoma in situ zien, afgekort tot DCIS. Dit komt in combinatie met een tumor voor, maar er kan ook alleen DCIS te zien zijn. DCIS is een mogelijke voorloper van kanker, waarbij afwijkend weefsel zich beperkt tot de melkgangen. Dit is geen kanker, maar dit kan het wel worden. Er is veel onderzoek naar DCIS. Bijvoorbeeld om te bepalen of behandeling van DCIS nog nodig is, omdat het vaak niet overgaat in kanker. 

Receptoren en biomarkers

Het pathologierapport zegt ook iets over de aanwezigheid van zogenoemde receptoren en resultaten van biomarkers. Receptoren zijn eiwit- en hormoonontvangers op tumoren. Biomarkers zijn andere meetbare indicatoren die iets zeggen over de tumorbijvoorbeeld of de tumor gevoelig is voor een bepaalde behandelingWe bespreken er een aantal. De meest bekende factor is de oestrogeenreceptor (ER). Als in minder dan 10 procent van de tumorcellen de ER aanwezig is (ER-positief), dan is de tumor waarschijnlijk gevoelig voor anti-oestrogeenbehandeling. 

Vaak wordt ook bepaald of de progesteronreceptor (PR) in de tumorcellen aanwezig is. Ook is er een type borstkanker dat vaak gevoelig is voor het remmen van een HER2 groeisignaal (HER2-positief borstkanker). Tot slot zijn er ook tumorvarianten die negatief zijn voor ER, PR en HER2. Deze informatie is medebepalend om te komen tot een behandeladvies op maat. 

Een aantal recenter ontdekte kenmerken zijn minder bekend, zoals meting van hoe vaak de cellen delen met Ki-67, de hoeveelheid afweercellen rond de tumor (stromale TIL’s) en de aanwezigheid van immuunremmend eiwit (PD-L1 middels CPS). 

Ki-67

De Ki-67 is een zogenoemde tumor- of biomarker. Zo’n marker kan iets aantonen. ‘Bij de Ki-67 toont een kleuring aan hoe hard de tumorcellen delen (proliferatie genoemd). Hoe harder de tumor deelt, hoe agressiever die is. En hoe agressiever, hoe slechter de prognose’, vervolgt Groen. ‘Toch gebruikt niet elk ziekenhuis de Ki-67. De methode is niet heel nauwkeurig. Ook zijn er meerdere manieren om te bepalen of de tumor agressief is of juist langzaam groeit, bijvoorbeeld door de tumor te graderen of met behulp van zogenoemde genexpressieprofielen (zoals onder andere de MammaPrint of Oncotype DX).’

Voor het bepalen van de prognose wordt ook gekeken naar kenmerken als de grootte van de tumor, of er uitzaaiingen naar de lymfklieren zijn en de leeftijd van de patiënt. ‘Volgens de huidige richtlijn kan de Ki-67 als hulpmiddel worden gebruikt om het risico van de tumor voor de patiënt mede te bepalen, maar niet als enige marker.’

Stromale TIL’s

TIL’s staat voor Tumor-infiltrerende lymfocyten. Dit zijn speciale afweercellen van het eigen immuunsysteem die kankercellen herkennen en aanvallen. ‘We onderzoeken hoeveel van die afweercellen er rond de tumor zijn, uitgedrukt in een percentage. Uit onderzoek blijkt dat een hoog percentage afweercellen verband heeft met een betere ziektevrije overleving en ook betere reactie op therapie bij bepaalde subgroepen van patiënten.’  

CPS

Sommige kankerbehandelingen, ook wel immuuntherapie genoemd, helpen het eigen afweersysteem kankercellen beter aan te pakken. Kankercellen kunnen het afweersysteem namelijk afremmen, waardoor afweercellen hun werk minder goed doen. Dat afremmen gebeurt onder andere via het eiwit PD-L1. Door dit eiwit te blokkeren, wordt die rem losgelaten en krijgen afweercellen weer meer ruimte om de tumor aan te vallen. De Combined Positive Score (CPS) geeft daarbij aan hoeveel PD-L1 aanwezig is op de tumor en op de afweercellen eromheen. De score loopt van 0 tot 100. Bij borstkanker wordt een CPS van 10 of hoger gezien als PD-L1-positief. Een hogere CPS-score kan erop wijzen dat immuuntherapie beter aanslaat, al wordt hier nog veel onderzoek naar gedaan.

Bespreek het met je arts

Groen benadrukt dat het pathologierapport in de eerste plaats is opgesteld voor je medisch behandelteam. Het bevat alle informatie die elke betrokken specialist nodig heeft om vanuit zijn of haar vak de juiste behandeloverwegingen te maken, waarbij alles in het team voortdurend wordt besproken. Inzage in het rapport geeft je enige houvast voor jouw situatie. Bedenk dat de gegevens van en voor jou persoonlijk zijn. Je kunt uitslagen daarom niet vergelijken met die van anderen op internet of met AI. Stel je vragen daarom aan je behandelend arts. 

Borstkankervereniging Nederland heeft het boekje ‘Wat voor borstkanker heb ik?’ herzien en opnieuw uitgegeven. Je kunt dit boekje gratis bestellen (max 1 per persoon) via het bestelformulier op onze website.

Vrijwilligers Monika en Lia: ‘De dankbaarheid ontroert ons’

Dankzij actieve vrijwilligers door heel Nederland worden borstkankerpatiënten en hun naasten in hun eigen woonomgeving ondersteund. Ze organiseren lezingen, wandelgroepen, informatiebijeenkomsten en verschillende vormen van lotgenotencontact. Maak kennis met twee van onze vrijwilligers in Zeeland: Monika Crosiers-Maes en Lia Willemse.

‘Als je het zelf hebt meegemaakt, voel je aan wat mensen die de diagnose borstkanker te horen hebben gekregen nodig hebben. Onze eigen ervaring geeft ons extra motivatie voor dit vrijwilligerswerk.’ Aldus Monika Crosiers-Maes en Lia Willemse, twee actieve vrijwilligers in Zeeland. Monika woont in Zeeuws-Vlaanderen, Lia in Walcheren. Ze vinden het allebei belangrijk dat borstkankerpatiënten in hun eigen omgeving terecht kunnen voor lotgenotencontact, ondersteuning en informatie.

Altijd alert

Monika kreeg in oktober 2000 te horen dat ze borstkanker had. Haar linkerborst werd geamputeerd en ze kreeg er chemotherapie en hormoontherapie achteraan. Het traject was nog niet afgerond toen in 2001 ook in haar rechterborst een tumor bleek te zitten. ‘Het had niks met elkaar te maken’, vertelt ze. ‘Het was een andere soort borstkanker. Ook mijn rechterborst is weggehaald.’ Helaas is het verhaal hiermee nog niet klaar: in 2007 kreeg Monika darmkanker. ‘Gelukkig gaat het nu goed met me’, zegt ze. Al vult ze dat meteen aan met: ‘Tenminste… als je dit hebt meegemaakt ben je natuurlijk wel altijd alert. Dat geldt eigenlijk voor iedereen die door kanker wordt geraakt.’

Ook Lia werd geconfronteerd met de diagnose borstkanker. ‘In 2020 werd ik voor het eerst uitgenodigd voor het bevolkingsonderzoek. Al snel kreeg ik de uitslag: foute boel. Er zat een tumor van zeven centimeter; mijn borst moest eraf. Chemotherapie was gelukkig niet nodig, maar preventief kreeg ik nog wel anti-hormoontherapie. Ik kreeg daardoor veel last van bijwerkingen, zoals artrose. Uiteindelijk heb ik besloten om te stoppen. De artrose gaat helaas niet meer over, maar gelukkig zijn de andere bijwerkingen wel weg.’

Op zoek naar lotgenoten

Monika en Lia gingen in hun omgeving op zoek naar lotgenoten. Ze wilden graag hun verhaal te delen met iemand die begreep wat ze hadden meegemaakt. Ze zochten vrouwen om mee te praten, of om leuke activiteiten mee te ondernemen. Zowel in Zeeuws-Vlaanderen als Walcheren bleek er niets of bijna niets te zijn voor borstkankerpatiënten. Lia vertelt: ‘Dat is toch gek. Dus ik ging maar naar Terneuzen, waar ik Monika ontmoette die daar iets had opgezet. Zij was tegen hetzelfde aangelopen, wat voor haar de drijfveer was om zelf iets te starten. Vervolgens heb ik die stap ook gezet voor Walcheren. Ik wilde met mijn eigen ervaring iets betekenen voor de mensen hier.’

Sneeuwbaleffect

Wat zowel in Zeeuws-Vlaanderen als in Walcheren begon met lotgenotencontact, groeide uit tot een breed en afwisselend aanbod aan activiteiten voor borstkankerpatiënten en hun naasten. ‘Dat kun je gerust een sneeuwbaleffect noemen’, zegt Monika.

‘Door actief te zijn en dingen te organiseren komen er steeds meer mensen bij die aangeven dat ze óók wel iets willen doen. We hebben hier nu dertien vrijwilligers!’ Ook Lia vertelt dat vrijwilligers zich soms spontaan melden. ‘Dat is geweldig, we stellen samen een mooi programma op en proberen zo zichtbaar mogelijk te zijn, zodat iedereen die daar behoefte aan heeft ons weet te vinden en over de drempel durft te stappen. Maar ik zou nog wel meer vrijwilligers willen, hoor!’

Thuiskomen

Een van de activiteiten in Walcheren was een informatiemarkt in de bibliotheek op 4 februari, Wereldkankerdag, vertelt Lia. ‘Dat is een goede manier om zichtbaar te zijn. De bibliotheek is voor iedereen toegankelijk en het is een gebouw waar iedereen makkelijk naar binnen stapt. Als je daar met een paar organisaties aanwezig bent, raak je snel in gesprek met mensen. Of dat nou patiënten zijn of niet; iedereen die er komt kan ontdekken wat er wordt georganiseerd. Ik ga zelf vaak bij de deur staan om mensen welkom te heten. Laatst kwam er een mevrouw heel schuchter binnen, maar achteraf was ze zó blij dat ze was gekomen. “Ik vond het best spannend”, zei ze tegen me, “maar wat een warm onthaal kreeg ik van jullie. Het voelde alsof ik thuiskwam, dat ik er mocht zijn met mijn verdriet en mijn vragen”.’

Activiteiten

Monika en Lia sommen op wat er de komende tijd zoal op hun activiteitenkalenders staat. ‘We organiseren thema-avonden, bijvoorbeeld over borstreconstructie of vermoeidheid na kanker, wandelingen, verwendagen, informatiebijeenkomsten over protheses en lingerie, rondetafelgesprekken, creatieve activiteiten zoals bloemschikken, workshops, lezingen, hartkussentjes maken, enzovoort.’

De ene activiteit wordt drukker bezocht dan de andere, maar dat vinden ze allebei minder belangrijk. Monika formuleert dat als volgt: ‘Voor mij is een activiteit succesvol als ik merk dat ik iemand heb kunnen helpen. Al is het maar één.’ Lia vult aan: ‘Dat voel ik precies zo! De basis van ons werk is vooral: lotgenotencontact. Of je nu met elkaar wandelt of knutselt of elkaar ontmoet bij een informatiebijeenkomst: je ontmoet mede-patiënten. Mensen die een vergelijkbare ervaring hebben en die begrijpen wat de ander bezighoudt. Daaraan een bijdrage leveren geeft mij veel voldoening.’

Dankbaarheid ontroert en motiveert

Allebei geven ze aan dat dit werk zo mooi is, omdat ze van deelnemers vaak te horen krijgen hoe fijn ze het vonden. Lia lacht: ‘Soms vliegen mensen je spontaan om de nek, zó blij zijn ze.’ Monika vult aan: ‘Of je krijgt achteraf een mailtje van iemand. Pas geleden nog, een mevrouw die enorm had genoten van een verwenmiddag. Of een berichtje van een mevrouw die na onze informatieochtend over protheses en lingerie eindelijk naar de winkel durfde te gaan. ‘Je weet niet wat je voor mij hebt betekend’, schreef ze. Die dankbaarheid ontroert me én motiveert me om met dit werk door te gaan!’

Colofon

Blad B is een online magazine van Borstkankervereniging Nederland.

Meer weten over ons?
www.borstkanker.nl

Contact
info@borstkanker.nl

Bladpartners
B wordt o.a. gefinancierd met bijdragen van de volgende bladpartners:

Wilt u ook bladpartner worden? Neem contact op via info@borstkanker.nl

Bladmanagement
Yvonne Brok

Redactieleden
Aukje Cnossen, Verpleegkundig specialist Spaarne Gasthuis
Desiree van den Bongard, Radiotherapeut Oncoloog Amsterdam UMC
Ester Siemerink, Internist Oncoloog ZGT
Irma Behr, Verpleegkundig specialist Borstcentrum MMC
Marlene Hoynck, Arts epidemioloog en vrijwilliger Borstkankerverenging Nederland
Nieke Vermulst, Chirurg oncoloog St. Antonius Ziekenhuis
Ragna van Hummel, Eigenaar Re-turn en ervaringsdeskundige
Terry Wiersma, Radiotherapeut NKI/AVL

Ook met dank aan
Alle tekstschrijvers, fotografen, medewerkers, geïnterviewden en vrijwilligers die aan deze editie hebben bijgedragen.

Disclaimer
Niets uit deze uitgave mag worden overgenomen, vermenigvuldigd of gereproduceerd zonder schriftelijke toestemming van Borstkankervereniging Nederland en/of andere rechthebbenden. Aan de informatie in de artikelen in B kunnen geen rechten worden ontleend.

Edities

Blad B is een uitgave van Borstkankervereniging Nederland
Meer weten? www.borstkanker.nl

Sluit