Wanneer kanker een gezin treft, raakt dat iedereen. Maar praten met tieners over ziekte blijkt vaak ingewikkeld. Dat is geen onwil, maar heeft alles te maken met de ontwikkelingsfase waarin zij zich bevinden. Gezondheidszorgpsycholoog Eline Aukema geeft tips.
‘Tieners zitten midden in een enorme lichamelijke en mentale ontwikkeling’, begint Eline Aukema, hoofd bij het Ingeborg Douwes Centrum en gezondheidszorgpsycholoog gespecialiseerd in kanker. ‘Ze zijn bezig met het vormen van hun eigen identiteit, maken zich los van hun ouders en richten zich steeds meer op leeftijdsgenoten en hun eigen leven. Het gezin dat jarenlang het middelpunt was, krijgt minder focus en de wereld daarbuiten trekt. Juist in deze fase komt een diagnose hard binnen. Want waar hun ontwikkelingstaak vraagt om afstand nemen, vraagt een zieke ouder vaak om nabijheid, praktische hulp en emotionele steun. Dat kan zorgen voor een spagaat. Daar komt bij dat het brein pas rond het 25e levensjaar volledig is uitontwikkeld. Jongeren hebben dus nog niet altijd het emotionele gereedschap om met zo’n ingrijpende situatie om te gaan en ze hebben hun ouders nog steeds nodig.’
Open communicatie
‘Open en eerlijke communicatie is belangrijk, maar wel afgestemd op het kind en de situatie. Wat vertel je wel, wat nog niet? Veel gezinnen vallen onbewust in wat de ‘wet van de dubbele bescherming’ wordt genoemd: ik bescherm mezelf door de ander te beschermen. Het gevolg kan zijn dat gezinsleden niet vertellen hoe het echt gaat. Dat kun je doorbreken door afspraken te maken. Bijvoorbeeld één keer per maand samen zitten en het erover hebben. Praten hoeft niet altijd aan de keukentafel. Juist tijdens een wandeling, in de auto of tijdens een activiteit praten jongeren vaak makkelijker. Je hoeft elkaar dan niet constant aan te kijken en emoties voelen minder overweldigend.’
Boosheid hoort erbij
‘Sommige pubers reageren met boosheid. Dat kan heftig en pijnlijk zijn, maar boosheid is ook een gezonde emotie: het is een manier om machteloosheid te uiten. Belangrijk is om te beseffen dat die boosheid niet tegen jou als ouder is gericht, maar tegen de situatie. Je tiener is geen vriend of steunpilaar, maar het is je kind. Die rol mag je niet omdraaien. Het kan helpen om de ziekte te zien als een extra ‘huisgenoot’. Iets waar jullie samen last van hebben. Dan kun je samen boos zijn op die rotziekte, in plaats van op elkaar.’
Blijf in contact
‘Uiteindelijk geldt: je kind is en blijft een tiener, met een extra ingewikkeldheid. Blijf contact zoeken, blijf vragen hoe het gaat en accepteer ook als het antwoord kort of afhoudend is. Soms deelt een jongere zijn zorgen liever met iemand anders (een vriend of familielid) en dat is prima. Het belangrijkste is dat ze weten dat de deur altijd openstaat.’
Vorig jaar kreeg Christa (59) na het bevolkingsonderzoek de diagnose borstkanker. Haar dochter Lindsey was toen 16.
‘Ik vertelde het haar meteen. Ze zag dat ik had gehuild en zo begon het gesprek. Daarna trok ze zich steeds meer terug. Ze werd stiller en afstandelijker. Dat deed pijn, maar ik begreep het ook. Ze was een puber, bezig met haar eindexamen en haar eigen leven. Onze communicatie is nog steeds moeizaam, met veel irritatie en korte antwoorden. Typisch tienergedrag. Toch zijn er ook mooie momenten. Ik probeer vast te houden aan onvoorwaardelijke liefde, hoezeer ze me soms ook kwetst in haar boosheid. Door mijn ziekte is er wel afstand ontstaan, alsof er iets tussen ons in staat. Ik blijf bewust de verbinding zoeken: vragen om een knuffel, en vragen hoe het met háár gaat. Achteraf had ik gewild dat we vanaf het begin samen hadden kunnen praten, met mijn man erbij en met hulp van iemand van buitenaf die met een open blik naar ons gezin had kunnen kijken.’
Vier jaar geleden kreeg Alice (53) de diagnose borstkanker. Haar twee dochters, Britt (15) en Savannah (17), en zoon Jesse (21) reageerden alle drie anders.
‘Mijn man en ik besloten vanaf het begin alles te delen, ook toen het nog onzeker was. We wilden geen geheimen. Uitslagen vertelden we meteen, met als houvast een overlevingskans van 100 procent. De reacties van onze kinderen verschilden sterk. Onze zoon is een binnenvetter; we vertelden het hem toen zijn vriendin er ook was, zij werd heel belangrijk voor hem. Onze dochters reageerden met veel knuffelen en huilen. De jongste nam meteen de zorgrol op zich, terwijl je denkt: een moeder hoort voor haar kind te zorgen. De oudste benoemde haar angst, maar trok zich terug en verloor haar vrolijkheid. Uiteindelijk had juist de jongste psychologische hulp nodig. We hielden de communicatie open door steeds te vragen hoe het ging, vaak één op één tijdens het uitlaten van de hond. Dan ontstond er ruimte. Op goede dagen probeerde ik het normale leven terug te pakken en sterk te blijven voor de kinderen. Ik wilde niet instorten, ik wilde hen kunnen opvangen. Huilen deed ik vaak als zij er niet bij waren, al was het soms niet te verbloemen.’
Ruim acht jaar geleden ontdekte Lydian (57) een knobbeltje in haar borst; het bleek kanker. Ze had toen een dochter van 18 en een uitwonende zoon van 20.
‘Mijn dochter ging mee naar het ziekenhuis voor de uitslag, daarna vertelden we het direct aan mijn zoon. Hun reacties waren vrij laconiek, wat past bij ons open gezin met een positieve instelling en ruimte voor zwarte humor. Alles is bespreekbaar, ik wil geen geheimen. Ziekte hoort bij het leven, hoe vervelend het ook is. Ze zagen hoe ziek ik werd en dat deed hen veel, maar we spraken er weinig over. Helpen en betrokken zijn was onze manier van communiceren. Mijn dochter ging vaak mee naar de chemotherapie. Humor hielp enorm, lag mijn haarstuk op mijn schoot, dan zei mij dochter bijvoorbeeld: “Ben je nou je fluffy aan het aaien?” Dan hadden we samen de grootste lol.
Net als toen ze mijn ‘nieuwe’ haar helemaal roze spoot met een pot haarlak. Achteraf had ik soms meer willen praten, maar mijn eigen angst hield ik liever voor mezelf. Ik heb door alles wat er gebeurd is wel een korter lontje gekregen, maar aan mijn kinderen merk ik weinig verandering.’
Annemarie (53) kreeg in 2024 de diagnose uitgezaaide borstkanker, zoon Tom was 18.
‘Toen ik mijn zoon vertelde dat ik ziek was, reageerde hij eerst boos en liep weg. Daarna lag de focus vooral op: wat gaat er gebeuren? Over emoties spraken we weinig; hij is een echte binnenvetter. Voor mijn diagnose waren we heel close. Zijn vrienden kwamen vaak over de vloer, we waren een soort inloophuis. Na de diagnose was hij vaker buitenshuis, toch bleef onze band sterk. Toen hij me vertelde dat hij de marathon van Amsterdam voor het KWF ging lopen, hakte dat er behoorlijk in. Het is zijn manier om te laten zien dat mijn ziekte hem raakt. Ook vertelde hij een keer dat hij het liefst wilde dat mijn haar weer normaal was en dan liet hij foto’s zien van vóór ik kaal werd. Communiceren met woorden blijft lastig. Hij praat weinig, schiet vaak in de verdediging en kapt mijn vragen af. Ik had wel behoefte aan meer tijd samen, meer contact, vaker een arm om me heen. Uiteindelijk hebben we samen een manier gevonden om dit te dragen, op onze eigen manier.’
De naam Annemarie is om privacyredenen gefingeerd.
Vijf tips van Eline Aukema. Zij is gezondheidszorgpsycholoog gespecialiseerd in kanker en hoofd bij het Ingeborg Douwes Centrum, dat is een expertisecentrum op het gebied van psycho-oncologie .
- Wees open, maar stem wat je deelt af op de leeftijd, het karakter en de behoeften van je kind(eren) en op jullie situatie.
- Het kan helpend zijn om vaste momenten af te spreken waarop jullie samen stilstaan bij wat er speelt, bijvoorbeeld eens per maand.
- Gesprekken verlopen vaak gemakkelijker tijdens een gezamenlijke activiteit, zoals wandelen, koken of autorijden.
- Als praten met jou lastig is voor je kind, kan het helpend zijn om een andere vertrouwde volwassene in te schakelen.
- Besef dat veel jongeren moeite hebben met het verwoorden van emoties. Dit is geen onwil, maar hoort bij hun ontwikkeling. Vaak laten zij hun betrokkenheid liever zien door praktisch te helpen — erken en waardeer dat ook als een betekenisvolle vorm van betrokkenheid.