Nummer 40
najaar 2026
'Je hoeft niet uit dezelfde cultuur te komen om elkaar te begrijpen'
Onder meer in deze editie
  • Samen beslissen begint met goede informatie
  • 'Nu was kanker ineens mijn verhaal'
  • Lotgenotencontact met een lach en een traan
  • 'De sleutel is begrijpen wat een patiënt belangrijk vindt'

Inhoudsopgave

Voorwoord
Samen beslissen begint met goede informatie
‘Nu was kanker ineens mijn verhaal’
Tumortype kan veranderen bij uitzaaiingen
‘De sleutel is begrijpen wat een patiënt belangrijk vindt’
Lotgenotencontact met een lach en een traan
‘Je hoeft niet dezelfde culturele achtergrond te hebben om aansluiting bij elkaar te vinden’
Voorwoord

Samen beslissen begint met goede informatie

Als je borstkanker krijgt, beslis je vaak samen met je arts welke zorg of behandeling het beste bij jou past. Om samen de juiste keuze te maken zijn er verschillende middelen beschikbaar, zoals websites, keuzehulpen of podcasts. Die helpen je bij het verzamelen van informatie, het voorbereiden van gesprekken, het maken van keuzes en het omgaan met gevolgen van de ziekte en behandeling. Een greep uit het aanbod. 

Samen beslissen is een belangrijk onderdeel van de borstkankerzorg. Het betekent dat patiënt en zorgverlener samen bespreken welke zorg of behandeling het beste past bij de situatie én bij de patiënt. Het gaat immers om diens lichaam, leven en toekomst. Bovendien moet hij of zij de behandeling ondergaan. Samen beslissen begint met goede informatie. Soms kan een relatief eenvoudig hulpmiddel daarin een groot verschil maken. 

Eind 2025 onderzocht Borstkankervereniging Nederland hoe de achterban aankijkt tegen samen beslissen en de hulpmiddelen die daarbij kunnen ondersteunen. Een van de opvallendste conclusies uit het onderzoek is dat veel hulpmiddelen nog lang niet bij alle patiënten bekend zijn. Tegelijkertijd blijkt dat wanneer ze wel gebruikt worden, patiënten er tevreden over zijn. Hier wat cijfers:  

  • 35,8procent gebruikte een hulpmiddel ter voorbereiding op gesprekken met zorgverleners – 91,1 procent van hen gaf aan daar iets aan te hebben gehad.
  • 32,5 procent van de deelnemers gebruikte hulpmiddelen om duidelijk te maken wat belangrijk is in het leven – 87,1 procent van hen vond ze waardevol.
  • 25 procent gebruikte een hulpmiddel bij de keuze van een behandeling of afwachten – bijna 90 procent van hen was daarover tevreden. Ook hulpmiddelen om inzicht te geven in hoe het met iemand gaat, werden goed gewaardeerd. 

Deze uitkomsten laten zien dat hulpmiddelen een duidelijke meerwaarde kunnen hebben. Inmiddels zijn er verschillende hulpmiddelen beschikbaar voor mensen met borstkanker. Ze helpen bij het verzamelen van informatie, het voorbereiden van gesprekken, het maken van keuzes of het omgaan met gevolgen van de ziekte en behandeling. Ze bestaan in allerlei vormen: van uitgebreide keuzehulpen tot korte video’s, apps, brochures en gesprekstools. Hieronder de veelgebruikte soorten op een rij. 

Keuzehulpen

Bij borstkanker zijn er regelmatig momenten waarop er iets te kiezen valt. Bijvoorbeeld een keuze tussen verschillende behandelingen, wel of geen borstreconstructie of hoe de nazorg eruit kan zien. Dat kan best ingewikkeld zijn. Keuzehulpen zijn ontwikkeld om patiënten hierbij te ondersteunen.  

Een keuzehulp neemt je stap voor stap mee door alle informatie die nodig is om een weloverwogen beslissing te nemen. Je leest over de verschillende mogelijkheden, de voor- en nadelen, mogelijke gevolgen en wat deze keuzes kunnen betekenen voor jouw dagelijks leven. Vaak word je ook uitgenodigd stil te staan bij wat voor jou belangrijk is.

Er bestaan keuzehulpen over onder meer chirurgie, borstreconstructie, anti-hormoontherapie, nazorg, nacontroles en erfelijke aanleg. Er zijn ook vier keuzehulpen over radiotherapie: Keuzehulp Radiotherapie (BRASA) | Borstkankervereniging Nederland. Veel van deze keuzehulpen zijn te vinden via B-bewust.nl en Thuisarts.nl. Soms bieden ziekenhuizen eigen keuzehulpen aan.  

Gesprekshulpen

Een gesprek met een arts of verpleegkundig specialist kan veel informatie bevatten. Zeker vlak na een diagnose is het niet altijd eenvoudig te bedenken welke vragen je wilt stellen of welke onderwerpen je belangrijk vindt om te bespreken. Gesprekshulpen kunnen daarbij helpen. Ze ondersteunen je bij het op een rij zetten van je vragen, zorgen, wensen en verwachtingen. Zo ga je beter voorbereid het gesprek in en is de kans kleiner dat je achteraf denkt: dat had ik nog willen vragen.

Speciaal hiervoor ontwikkelde BVN B-Bewust, een website waarop je een persoonlijke checklist kunt samenstellen met vragen over veertien verschillende onderwerpen. Je vindt er voorbeeldvragen, maar kunt ook eigen vragen toevoegen. De checklist kan vooraf naar een zorgverlener worden gestuurd of tijdens het gesprek worden gebruikt als geheugensteun. Zo ontstaat meer ruimte voor een gesprek dat niet alleen gaat over de ziekte, maar ook over wat voor jou belangrijk is. Daarnaast kunnen ook de bekende ‘3 goede vragen’ van Patiëntenfederatie Nederland helpen om het gesprek met de zorgverlener voor te bereiden. De vragen zijn: Wat zijn mijn mogelijkheden? Wat zijn de voordelen en nadelen van die mogelijkheden? Wat betekent dat in mijn situatie? 

Voorlichtingsvideo’s, podcasts en apps

Niet iedereen leest graag lange teksten. Bovendien komt informatie vaak beter binnen als je deze kunt bekijken of beluisteren op een moment dat jou goed uitkomt. Daarom zijn er steeds meer video’s, podcasts en apps beschikbaar voor mensen met borstkanker. 

Op Borstkanker.nl zijn diverse voorlichtingsvideo’s te vinden over behandelingen, bijwerkingen en leven met borstkanker. Ook ziekenhuizen, kankercentra en organisaties zoals Kanker.nl bieden video’s, webinars en podcasts aan. Podcasts bieden de mogelijkheid om ervaringen van anderen te horen of uitleg van deskundigen te beluisteren tijdens een wandeling, autorit of rustig moment thuis. Daarnaast zijn er apps – zoals Untire en Healthy Chronos – waarmee patiënten bijvoorbeeld klachten kunnen bijhouden, informatie kunnen terugvinden of ondersteuning krijgen tijdens hun behandeling. Het voordeel van deze hulpmiddelen is dat je informatie kunt bekijken of beluisteren wanneer jij daar behoefte aan hebt. Dat geeft rust, zeker wanneer je tijdens een consult niet alles meteen kunt onthouden. 

Praatkaarten en brochures

Soms zegt een afbeelding meer dan een lange uitleg. Praatkaarten maken gebruik van eenvoudige schema’s, tekeningen en visuele ondersteuning om ingewikkelde onderwerpen begrijpelijker te maken. Ze worden bijvoorbeeld gebruikt om behandelingen uit te leggen of om verschillende mogelijkheden overzichtelijk naast elkaar te zetten. 

Daarnaast zijn er brochures over uiteenlopende onderwerpen. Deze compacte informatieboekjes bevatten betrouwbare uitleg, praktische tips en verwijzingen naar aanvullende informatie. Er zijn bijvoorbeeld brochures over samen beslissen, seksualiteit, gespreksgroepen voor mensen met uitgezaaide borstkanker en andere thema’s die tijdens of na de behandeling een rol kunnen spelen. 

‘Hulpmiddelen geven patiënten de regie’ 

Radiotherapeut-oncoloog Janine van Nes werkt bij het Radiotherapeutisch Instituut Friesland (RIF) in Leeuwarden. Zij vindt samen beslissen belangrijk omdat elke patiënt uniek is qua wensen en prioriteiten. ‘In de radiotherapie is de ‘beste’ medische keuze niet altijd zwart-wit. Denk aan de afweging om wel of geen ‘boost’, extra bestraling, te geven. Of in sommige situaties zelfs de keuze om wel of niet te bestralen. De ene patiënt wil de kans op een recidief tot het absolute minimum beperken, ongeacht de impact. De andere patiënt wil juist zoveel mogelijk bijwerkingen voorkomen om de kwaliteit van leven te behouden. Dan is er nog een groot deel van de patiënten dat zelf geen keuze maakt, maar dat liever aan de arts overlaat. Ook dat kan een uitkomst zijn van samen beslissen.  

Goede voorlichting – waaronder objectieve, betrouwbare hulpmiddelen zoals keuzehulp ­– helpt te achterhalen waar iemand behoefte aan heeft. Patiënten kunnen bovendien thuis alle informatie, in hun eigen tempo en met hun naasten, nog eens rustig nalezen en overwegen. Zorgverleners hebben wat mij betreft een soort van gidsfunctie bij het verwijzen naar de mogelijkheden die er zijn qua hulpmiddelen. Sterker nog: sommige hulpmiddelen lenen zich uitstekend om samen te bekijken of in te vullen. Ik gebruik de website www.beslissamen.nl. Ik vind dit zelf een heel prettig platform en hoor dat ook terug. Een patiënte zei laatst treffend tegen mij: “Dit is echt een fijne site, want het zet de feiten op een rij en legt de behandelmogelijkheden naast elkaar zonder mij een bepaalde richting op te duwen.” Met andere woorden: het geeft de patiënten regie en dat is precies het doel. 

‘Er komt zoveel op je af als je ziek wordt’

Sietske (49) kreeg borstkanker in 2018. Even leek het goed te gaan, maar begin 2021 ontdekte ze een uitzaaiing in haar rug die al meer dan vijf jaar succesvol wordt behandeld. ‘Goede informatieverstrekking tijdens het behandeltraject vind ik één van de belangrijkste dingen. Vooral omdat er zoveel nieuws en onbekends op je af komt als je ziek wordt. Je zit met zoveel vragen waar vaak alleen een arts het antwoord op weet. “Is het normaal dat ik een dikke arm krijg na deze chemo?” Of: “Is een borstsparende operatie een optie voor mij?” Ik maak regelmatig gebruik van de speciale ziekenhuisapp BeterDichtbij waarin ik op elk gewenst moment via een chatbox een vraag kan stellen over bijvoorbeeld het behandelplan, complicaties die optreden of over zorgen die ik me maak. Er komt altijd een antwoord. Door het korte lijntje dat ik daardoor heb met de artsen voel ik me heel serieus genomen en krijg ik steeds meer grip op mijn situatie.’ 

Als je te maken krijgt met borstkanker, wil je de beste behandeling. Hierover gaat onze brochure Samen Beslissen: in gesprek met je arts onderzoek je welke mogelijkheden er zijn en wat voor jou in jouw situatie het beste is.

‘Nu was kanker ineens mijn verhaal’

Twintig jaar lang begeleidde psycholoog en psychotherapeut Christine Brouwer (59) mensen met kanker en hun gezinnen – tot ze in november 2020 zelf borstkanker kreeg. ‘Ik dacht altijd dat ik alleen aan de hulpverlenerskant van de tafel zou zitten.’ 

Het telefoontje kwam onverwachts – een paar maanden eerder was ze immers schoon uit de borstenbus gekomen. Maar Christine Brouwer vertrouwde het niet, ze voelde al langere tijd ‘iets’ in haar rechterborst. Haar voorgevoel bleek juist, het was foute boel. Door haar dichte borstweefsel was de tumor echter moeilijker op te sporen geweest. ‘Ik vond de diagnose vooral een gekke gewaarwording’, vertelt Brouwer. ‘Ik kende de ontreddering en angst als verhaal van de ander, nu was het ineens mijn verhaal. Ergens had ik het idee van: als ik maar empathisch genoeg ben in de spreekkamer, zal het nooit in mijn eigen slaapkamer komen.’ 

Dat kwam het wel. Door haar werk was Brouwer voorbereid op wat er komen ging – ze wist immers waar kankerpatiënten mee te maken krijgen, zowel lichamelijk als mentaal. ‘Daar had ik profijt van, maar ik kampte óók met een te veel aan beelden van hoe het mis kan gaan. Namelijk de verhalen van mijn cliënten. Eigenlijk een vorm van secundaire PTSS – dat betekent dat je als professional getraumatiseerd kunt raken van de trauma’s van patiënten. In mijn hoofd waren er slechts drie opties: óf je gaat dood, óf er zijn complicaties tijdens de behandeling, óf je kunt de draad niet meer oppakken na de behandeling. Dát was de doelgroep die ik kende. Toen mijn eigen oncoloog opgewekt zei dat er ook een vierde optie bestond, namelijk dat je na een behandeling dóórgaat met je leven, had ik daar geen beeld bij. Die mensen zag ik namelijk niet in mijn spreekkamer.’ 

Balanceren

Omdat ze als psycholoog zoveel mensen heeft geholpen, vond Brouwer ook dat ze haar eigen ziekteproces gebalanceerd moest ondergaan. ‘Ik was immers degene die anderen hielp en die ervoor was opgeleid, dus dat moest ik toch kunnen? Ik legde de lat te hoog. Dat balanceren lukte niet. Ik werd een schim van mezelf. Naar mijn werk gaan was ook geen optie. Ten eerste was het geen goed idee omdat er nog geen vaccinaties waren voor corona, ten tweede omdat ik óók patiënt was geworden – en niet meer een behandelaar die afstand kon houden van de emoties. Eten en koken, mijn grootste hobby’s, gingen niet meer. In de spiegel zag ik iemand die steeds magerder werd, kaal en ontzettend gespannen was.’ 

Door haar eigen kankerproces met alle bijbehorende emoties – na een jaar was ze klaar met alle behandelingen – kreeg Brouwer een meer doorleefd begrip voor angst en depressie. Het heeft ook een meerwaarde in de behandelkamer, merkt ze. ‘Als iemand in mijn spreekkamer angstig is en twijfelt over medicatie, kan ik daar wel iets zinnigs over zeggen. Ik wéét hoe het is om iedere dag stijf van de angst wakker te worden. Hoe mijn eigen man me op sleeptouw moest nemen, samen met de hond. Hoe we ’s ochtends een stukje gingen wandelen, ik halverwege de dag eindelijk een beetje op gang kwam en het hele riedeltje de volgende dag opnieuw begon.’

Schrijven over kanker 

Het idee om een boek over kanker te schrijven kwam al vrij snel. Brouwer: ‘Als psycholoog weet ik dat schrijven helpt om gevoelens een plek te geven. Ik merkte dat ik een rijk netwerk had waarop ik terug kon vallen tijdens mijn angst en somberte, maar ook dat het een behoorlijke klus is om overeind te blijven. Ik wist daarnaast veel door de lessen die ik gaf. Maar wat als je die kennis niet hebt? 

Herkenning, troost, zelfs humor – ‘ja écht’, grinnikt Brouwer: het komt allemaal terug in Leven en borstkanker. En veel praktische tips, dat ook. Zo gaat één hoofdstuk over werk als stressfactor. Mijn eigen terugkeer naar mijn oude praktijk verliep niet goed: ik voelde me kwetsbaar en onzeker en daar was geen ruimte voor. Je kunt echter ook tegen andere dingen aanlopen, zoals collega’s die ineens heel beschermend zijn of zelfs je werk hebben overgenomen. Terwijl werken je juist handvatten kan geven om je leven ná de behandeling weer op te pakken – dan ben je weer professional in plaats van patiënt. Zorg dus dat je in gesprek blijft met HR of maak het bespreekbaar bij je bedrijfsarts. 
Ook seksualiteit komt aan bod, vervolgt Brouwer. ‘Het kost tijd om je lichaam na de behandeling te herontdekken, te liefkozen. Dat kan pittig zijn: zo sprak ik een vrouw die haar borsten al twee jaar niet aan haar man had laten zien. Zelf had ik gelukkig een verpleegkundige die voorstelde om samen met mijn man naar de wond te kijken. Ik vond het eng, hij vond het eng, maar nu hoefden we er niet schuchter omheen te dansen.

Luisteren naar angst

Hoewel haar eigen behandeling succesvol was, sluimert er altijd wel ergens de angst voor terugkeer van de kanker. Herkenbaar voor veel patiënten, weet Brouwer – in haar boek spreekt ze met verschillende vrouwen over hun ervaring. ‘Zelf heb ik mijn angst voor een recidief meestal redelijk onder controle. Maar soms komt er een dag waarop alles samenvalt en die angst zich ineens weer laat voelen. Het helpt om ernaar te luisteren. Noteer wat de angst je probeert te vertellen, en zeg hem vervolgens: ‘Ik heb je gehoord, ik ga dat en dat doen en voor nu kun je weer gaan.’ Probeer daarna actief je gedachten te verzetten naar iets anders. Bak een taart, ga wieden in de tuin of maak een wandeling. Het kan ook troostrijk zijn om schrikreacties te zien als golven: ze komen, maar ze gaan ook weer.’ 

Ook voor naasten

Brouwer richt zich in haar boek niet alleen maar tot (ex)-kankerpatiënten, het is ook voor naasten bedoeld. Geen enkele ziekte heb je immers alleen, weet ze. ‘Ineens is er een factor die jullie leven van buitenaf bepaalt en die jullie planning in de war schopt. Het heeft impact op het hele systeem. Ik voelde me bijvoorbeeld ontzettend schuldig dat mijn kinderen dit óók moesten ondergaan. Zo moest mijn zoon twee weken lang op zijn studentenkamer blijven toen hij corona kreeg. Thuiskomen was geen optie, te risicovol. Mijn dochter mocht niet meer sporten – al die meiden zaten immers bij elkaar in de kleedkamer. En mijn schoonmoeder voelde blinde paniek toen ik kanker kreeg – haar eigen moeder overleed aan de ziekte toen zij achttien was. Gelukkig was er ruimte voor het feit dat ik haar angst niet trok, maar het laat zien dat je kanker niet alleen hebt.’ 

Die boodschap geeft ze ook mee in haar boek. ‘Ik hoop dat patiënten én hun naasten het lezen en passages met een potlood omcirkelen, om het vervolgens samen te bespreken.’ Volgens Brouwer is het overigens belangrijk om af te spreken wannéér je het over kanker gaat hebben. ‘Stel dat jullie nét in de zon van een kopje koffie genieten en je gesprekspartner ineens over die ene scan begint, terwijl jij op dat moment helemaal niet aan kanker dacht – weg ontspannen moment. Als je weet wanneer je over kanker gaat praten, hoef je niet altijd op je hoede te zijn.’ Hetzelfde geldt trouwens voor kinderen, vervolgt ze. ‘Kinderen trekken vaak hun eigen conclusies, gebaseerd op wat ze zien, horen of eerder hebben meegemaakt. Een wekelijks ‘overleg’ biedt een veilige manier om te checken wat er in het hoofd van je kind omgaat. Luister en geef antwoord op de vragen die gesteld worden. ‘Zelfs ‘ik weet het niet’ is een antwoord.’ 

Brouwer hoopt tot slot dat haar boek helpt om je eigen behoeften voorop te stellen, eens níet beleefd en aardig te doen. ‘Vrouwen worden vaak opgevoed met het idee dat je met iedereen in contact moet blijven, maar als iets of iemand je geen energie geeft of met onbedoelde adviezen komt, hoef je daar niet op in te gaan. Dat heb ik zelf ook geleerd. Zoek vooral wat bij jou past, of dat nou knuffelen met de kat, wandelen met de hond of theedrinken met de buurvrouw is. Richt je kortom op de mensen aan wie je wat hebt, die energie geven.’ 

Tumortype kan veranderen bij uitzaaiingen

Bij uitzaaiingen kan het type borstkanker veranderen. Dat gebeurt vaker dan je misschien denkt. Wat verandert er precies, hoe vaak komt het voor en wat betekent dit voor de behandeling? 

Marissa Meegdes is arts-onderzoeker en in opleiding tot medisch oncoloog. Op 17 september 2026 verdedigde zij haar proefschrift aan de Universiteit Maastricht. Een van haar onderzoeken gaat over een onderwerp dat voor veel vrouwen met uitgezaaide borstkanker relevant is: hoe vaak verandert het type tumor bij een uitzaaiing en wat betekent dit? 

Welk type borstkanker heb je?

Kankercellen kunnen aan hun buitenkant receptoren hebben. Dat zijn eiwitten die signalen opvangen, waardoor de kankercel kan groeien. Er zijn twee soorten receptoren: HR en HER2. 
Een tumor is HR-positief als hij een hormoonreceptor heeft (oestrogeen of progesteron). Dit komt veruit het meeste voor. Ongeveer drie op de vier patiënten met uitgezaaide borstkanker heeft dit type.  

Daarnaast is er de HER2-receptor, een eiwit dat celgroei stimuleert. Een tumor met veel van deze receptoren heet HER2-positief. 

Op basis van deze twee receptoren zijn er vier subtypes: HR+/HER2-, HR+/HER2+, HR-/HER2+, en triple negatief (TN), waarbij geen van de receptoren aanwezig is.  

Het subtype bepaalt wat de best passende behandeling is. Hormoontherapie werkt alleen als er hormoonreceptoren zijn, HER2-gerichte therapie alleen als HER2 positief is. Verandert het type borstkanker, dan heeft dit gevolgen voor de behandeling. 

Het type tumor wordt bepaald met een biopt: een kleine hoeveelheid weefsel dat met een naald wordt weggenomen en onderzocht. De handeling heet biopsie. 

Hoe vaak verandert het subtype bij uitzaaiing?

Meegdes onderzocht 2.854 patiënten met uitgezaaide borstkanker uit het SONABRE-register. Dat is een groot register waarin elf ziekenhuizen in Zuid-Nederland gegevens bijhouden van patiënten met uitgezaaide borstkanker. Van 748 patiënten was zowel het subtype van de oorspronkelijke tumor als van de uitzaaiing bekend. Bij 18% van deze patiënten veranderde het subtype in de uitzaaiing.  

‘De verandering was vooral bij patiënten met een HR+/HER2+ tumor’, vertelt Meegdes. ‘Daar veranderde het subtype van de uitzaaiing bij maar liefst in 55% van de patiënten.’ Waarin veranderde de uitzaaiing?
Meegdes: ‘Bij 26% van HER2-positief naar HER2-negatief, 21% van HR-positief naar negatief en bij 8% allebei, dus naar Triple Negatief (TN).’ De figuur toont per subtype hoe de veranderingen zijn. 

de vier taartdiagrammen tonen per subtype van de eerste tumor hoe vaak het subtype van de uitzaaiing hetzelfde bleef (groen) of veranderde. N= betekent het aantal patiënten.

Waardoor verandert het subtype?

Het ligt voor de hand te denken dat eerdere behandelingen het subtype beïnvloeden. Als hormoontherapie bijvoorbeeld de oestrogeenreceptoren aanvalt, zouden alleen de kankercellen zonder die receptor kunnen overleven. Die gedachte is begrijpelijk, maar Meegdes vond er geen bewijs voor. ‘Bij patiënten met en zonder eerdere behandeling, zagen we ongeveer even vaak verandering van het subtype. Het is dus niet zo dat behandeling de belangrijkste verklaring is.’ 

De verklaring ligt waarschijnlijk in de biologie van borstkanker zelf. Borstkanker is een heterogene ziekte: een tumor bestaat uit vele verschillende kankercellen, die niet allemaal dezelfde receptoren hebben. 

‘Bij een uitzaaiing kunnen andere cellen de overhand krijgen. Daarbij beïnvloeden bijvoorbeeld bij het subtype HR+/HER2+ de oestrogeenreceptor en de HER2-receptor elkaar biologisch. Als de activiteit van de één toeneemt, kan die van de ander afnemen.’ 

Deze subtypeverandering is iets anders dan mutatie, vertelt Meegdes. ‘Mutaties zijn permanente veranderingen in het DNA van tumorcellen, die per persoon anders kunnen zijn. Vaak hebben ze een rol bij de groei van de kanker. Het in kaart brengen van deze specifieke mutaties is in opkomst. Soms zijn er dan gerichte behandelingen mogelijk.’ 

Andere tumor, andere behandeling

Als het subtype verandert, verandert ook de best passende behandeling. Hormoontherapie heeft weinig zin als de hormoonreceptoren er niet meer zijnHER2-gerichte therapie werkt niet als de HER2-receptor verdwenen is. Meegdes schat dat 40 tot 60 procent van de patiënten bij wie het subtype verandert, anders behandeld zou worden als dat nieuwe subtype bekend was. ‘Behandel je het verkeerde type, dan loop je het risico een therapie te geven die niet aanslaatén mis je de behandeling die wél zou werken.’ Daarom is het belangrijk bij uitzaaiing daar een biopt van te nemen. 

Opnieuw biopt nemen: hoe staat het daarmee?

Uit het onderzoek van Meegdes blijkt dat bij slechts 60% van de patiënten een biopt van de uitzaaiing werd genomen. Bij vier op de tien werd er dus van uitgegaan dat het subtype hetzelfde was gebleven. Dat is een gemiste kans, vindt Meegdes, ook als de uitzaaiing relatief snel na de eerste diagnose optreedt. ‘Soms wordt gedacht: de borstkanker is pas een jaar geleden vastgesteld, de uitzaaiing zal wel hetzelfde type zijn. Maar juist in die groep zagen we meer subtypeverandering dan bij patiënten bij wie de uitzaaiing veel later optrad.’ 

De richtlijn voor borstkanker in Nederland is inmiddels aangepast: bij uitzaaiingen wordt aanbevolen altijd een biopt te nemen. Dat is terug te zien in de praktijk. Het aantal biopten neemt toe naar zo’n twee derde van de patiënten. Maar er is nog ruimte voor verbetering.
‘Honderd procent zullen we waarschijnlijk nooit halen. Want niet elke uitzaaiing is goed te bereiken. Denk aan een hersenuitzaaiing of botuitzaaiing. Hoeveel risico neem je om dat stukje weefsel weg te halen? Maar als het mogelijk is, moet je het altijd proberen.’ 

Wat kun jij ermee in de spreekkamer?

Een biopsie is niet prettig. Er moet opnieuw geprikt worden, je wacht op de uitslag en het kan wat pijn doen. Maar Meegdes benadrukt dat het de moeite waard is: ‘Een extra biopsie is vervelend, maar het is wel belangrijk voor de rest van de behandeling om te weten wat er op dit moment actief is in de ziekte.’ 

Meegdes adviseert daarom bij een uitzaaiing te vragen of een biopsie mogelijk is, zodat het subtype opnieuw bepaald wordt. Dat lijkt vooral bij het ER+/HER+-type van belang. En als een deel van de uitzaaiingen wel reageert op behandeling en een deel niet, vraag dan of dat niet-reagerende deel opnieuw onderzocht kan worden. Misschien zit daar een ander subtype in dat een andere aanpak vraagt. 

‘Het is voor patiënten belangrijk te weten dat subtypes kunnen veranderen en dat dit uitmaakt voor de behandeling. Een uitzaaiing is een nieuw moment om te kijken wat er écht aan de hand is in jouw lichaam.’ 

‘De sleutel is begrijpen wat een patiënt belangrijk vindt’

Waar veel mensen bij een borstreconstructie vooral denken aan vorm en uiterlijk, kijkt plastisch chirurg dr. Stefania Tuinder van het Maastricht UMC naar iets anders: gevoel, functionaliteit en de vraag hoe een vrouw zich weer thuis kan voelen in haar eigen lichaam.  

Wie tegenover Stefania Tuinder in haar spreekkamer zit, kan erop rekenen dat ze tijd voor haar patiënt neemt. ‘Ik heb ervoor moeten strijden, maar voor een eerste gesprek neem ik drie kwartier tot een uur de tijd. Of langer, als dat nodig is. Mijn spreekuur loopt vaak uit. De sleutel is begrijpen wat een patiënt belangrijk vindt. Dat probeer ik te ontdekken door vragen te stellen en goed te luisteren naar wat er wordt gezegd. Vaak weten patiënten niet waar ze precies op moeten letten. Ze komen in een medisch traject terecht zonder alle consequenties van de verschillende keuzes te kunnen overzien. Ik zie mezelf daarom als iemand die helpt uitzoeken wat, binnen alle mogelijkheden, voor die specifieke vrouw het beste past. Daarom vraag ik altijd: Hoe belangrijk is symmetrie? Wat vind je van je lichaam zoals het nu is? Wil je nog wel een borst terug? Hoe belangrijk is het gevoel in je borst? En stel dat ik een toverstaf had, wat zou je dan willen? 

Vanzelfsprekendheid

Ze vervolgt: ‘Wij als chirurgen moeten oppassen dat we niet invullen wat goed is voor de vrouw die voor ons zit. Onze rol is niet om voor haar te kiezen, maar om haar zo volledig en objectief mogelijk te informeren. Alleen wanneer iemand alle relevante informatie krijgt, kan zij een keuze maken die bij haar past. Voor mij begint dit traject niet bij alles wat medisch en technisch gezien mogelijk is, maar bij het begrijpen van wat iemand nodig heeft om zich weer thuis te voelen in haar eigen lichaam.’ Tuinder focust meer op functionaliteit dan op esthetiek. Het doel van een reconstructie is om een vrouw haar lichaam weer als vanzelfsprekend te laten ervaren. Zij vertelt: ‘Natuurlijk zie je, bijvoorbeeld tijdens het douchen, nog wat er is gebeurd. Ik vind het belangrijk dat je weer kunt leven, bewegen en doen wat je wilt. In het dagelijks leven zou je – op den duur – niet meer voortdurend herinnerd moeten worden aan je ziekte of de behandeling. Functionaliteit weegt voor mij daarom zwaarder dan esthetiek. Liever een borst die goed voelt en goed functioneert, dan een borst die er perfect uitziet, maar klachten geeft.’ 

Japanse kunst

Het is haar missie om een bescheiden bijdrage te leveren aan een samenleving waarin esthetiek steeds meer wordt verheven tot norm en alles perfect lijkt te moeten zijn. ‘We worden voortdurend geconfronteerd met een bepaald schoonheidsideaal, waar velen zich onbewust toe proberen te verhouden. Juist van mijn patiënten heb ik geleerd dat echte schoonheid iets anders is. Ik zie vrouwen terugkomen die zich weer goed voelen in hun lichaam en die een enorme kracht uitstralen. Hun houding zegt: “Ik heb dit doorstaan, ik heb mijn leven weer opgepakt en ik voel me goed.” Op dat moment maakt het niet uit of een borst niet perfect symmetrisch is of een beetje hangt. Schoonheid zit niet in perfectie, maar in de uitstraling, het zelfvertrouwen en de levenslust die iemand uitstraalt. Dat zie je in iemands ogen. Mijn werk vergelijk ik vaak met de Japanse kunstvorm kintsugi. Daarbij wordt gebroken keramiek hersteld met gouden lijnen, waardoor de breuken niet verdwijnen, maar juist onderdeel worden van het verhaal. Die gedachte raakt de kern van wat ik doe. Ook de vrouwen die ik opereer, dragen hun eigen littekens met zich mee. De kunst is niet om ze te verbergen, maar om ze om te vormen tot iets waar ze trots op kunnen zijn.’  

Fantoompijn

Sinds 2007 werkt Tuinder als plastisch chirurg in het MUMC+. Ze is gespecialiseerd in microchirurgische borstreconstructies met lichaamseigen weefsel en is onlangs benoemd tot hoogleraar reconstructieve microchirurgie. Haar focus op functionaliteit leidde Tuinder ook naar het herstellen van gevoel in de borst tijdens een reconstructie. Tuinder en haar team onderzoeken tevens wat de mogelijkheden zijn voor het terugbrengen van gevoel bij patiënten bij wie een reconstructie al eerder is gedaan. Ze vertelt: ‘Wat ik heb gemerkt is dat vrouwen hun borst missen. Vaak heeft dat weinig te maken met hoe mooi of hoe groot die borst was, maar met de manier waarop dat deel van het lichaam is verankerd in de hersenen. Iedereen heeft weleens gehoord van fantoompijn bij mensen die een arm of been hebben verloren. Zo’n lichaamsdeel kan nog steeds aanwezig voelen, ook al is het er niet meer. Bij een borst kan iets vergelijkbaars spelen. Het is voor veel mensen minder vanzelfsprekend om een borst als een lichaamsdeel te zien dat je echt kunt missen, maar voor de hersenen is het wel degelijk onderdeel van het lichaam. Sommige vrouwen ervaren daarom heel sterk dat er iets ontbreekt, terwijl anderen dat gevoel helemaal niet hebben en geen behoefte voelen aan een reconstructie. Dat verschil zie je ook bij fantoompijn: de één heeft er last van, de ander niet. We weten nog veel niet over wat er precies in de hersenen gebeurt, maar het laat wel zien hoe persoonlijk die ervaring is.’  

Hersenactiviteit

Tuinder vervolgt: ‘Het gaat daarbij om meer dan alleen het terugkrijgen van gevoel. Het lijkt er ook op dat de relatie met dat deel van het lichaam verandert. Veel vrouwen beschrijven dat een gereconstrueerde borst zonder gevoel niet echt als onderdeel van henzelf voelt. Wanneer gevoel terugkeert, ervaren ze de borst vaker als hun eigen lichaam en heeft de reconstructie minder invloed op hun dagelijks bewustzijn. Dat sluit aan bij wat we ook in onderzoek zien. Met functionele MRI’s hebben we gekeken wat er in de hersenen gebeurt wanneer een gereconstrueerde borst wordt aangeraakt. De resultaten suggereren dat gevoel meer doet dan alleen aanraking registreren. Het lijkt ook invloed te hebben op de manier waarop de hersenen een gereconstrueerde borst als onderdeel van het lichaam herkennen. Daarbij zagen we dat bij vrouwen bij wie een zenuw was aangesloten een groter gebied in de hersenen werd geactiveerd. Zij konden bovendien nauwkeuriger aangeven waar de borst werd aangeraakt. Nog opvallender was dat de hersenen een gereconstrueerde tepel alleen als tepel lijken te herkennen wanneer er een werkende zenuwverbinding aanwezig is.’ Tuinder hoopt dat ze deze techniek samen met haar collega’s verder kan verspreiden. Dit soort operaties wordt op meerdere plekken in Nederland toegepast, maar niet in elk ziekenhuis. Tuinder benadrukt met een knipoog dat patiënten daarbij kunnen helpen. Ze legt uit: ‘Als patiënten vragen of het mogelijk is om gevoel te herstellen, zet dat hopelijk steeds meer chirurgen aan tot het leren van deze techniek.’  

Bewuste keuze

Uiteindelijk draait het volgens Tuinder niet om de techniek, maar altijd om de persoon tegenover haar, benadrukt ze. Of een vrouw kiest voor een reconstructie, een platte borstkas of een andere oplossing, maakt haar niet uit. Wat telt, is dat die keuze bewust wordt gemaakt. ‘Mijn taak is niet om te bepalen wat goed is, maar om te begrijpen wat voor die vrouw belangrijk is en haar vervolgens te helpen een keuze te maken die daarbij past.’  

Lotgenotencontact met een lach en een traan

‘Borstkanker is dichterbij dan je denkt’, is het thema van de borstkankermaand. Precies dát ervaart Mirjam Rinzema, communicatieadviseur bij Borstkankervereniging Nederland als ze aanschuift bij een lotgenotenbijeenkomst bij Oriolus, IPSO-centrum voor leven met en na kanker in Winterswijk. 

Ik word hartelijk ontvangen door Desirée Heerdink, vrijwilliger bij Borstkankervereniging Nederland, medeoprichter van het centrum én begeleider van de maandelijkse lotgenotengesprekken voor borstkankerpatiënten. Desirée begint met een warm welkom aan de vier vrouwen: Yvonne, Marty, Astrid en Anita die binnen komen druppelen. Drie van hen waren al vaker bij de lotgenotenbijeenkomst, voor Anita is het haar eerste keer. ‘Ik vond het niet gemakkelijk, het liefst zou ik de hele borstkanker achter me laten en er niet meer aan denken. Maar zo werkt het niet. Want ik heb dit meegemaakt en ik ondervind er nog elke dag de gevolgen van. Vooral de vermoeidheid heeft een grote impact op mijn leven.’ 

Over zichzelf vertelt Desirée: ‘Ik heb geen borstkanker gehad, maar door een genetische afwijking was de kans groot dat ik borstkanker zou krijgen. Daarom koos ik voor preventieve amputatie van mijn borsten. Ik was pas 26. Hierdoor werd wel een zaadje geplant om iets te doen met deze ervaring. Als vrijwilliger voor Borstkankervereniging Nederland startte ik met een inloop in het ziekenhuis hier, om ervaringen en verhalen te delen. Uiteindelijk mondde dit uit in de start van Oriolus, samen met mijn collega Kristy, en is de lotgenotengroep in het programma geïntegreerd.’ Ze knikt naar Anita. ‘Ik ben benieuwd wat jou hier heeft gebracht. Maar weet dat er hier niks hoeft. Laat het maar over je heen komen.’ 

‘Gelukkig dat je gegaan bent’

‘Ik vind het nog steeds moeilijk om dit verhaal te vertellen’, begint Anita. ‘In 2023 voelde ik zelf iets in mijn borst, een soort gladde plek. In de hoop dat het weg zou gaan, heb ik er nog een dag mee gelopen. De volgende dag ben ik toch naar de huisarts gegaan. Die stuurde me voor de zekerheid door naar het ziekenhuis. Er zat een tumor van vijf centimeter.’ Anita valt stil, dan kijkt Yvonne haar aan en zegt: ‘Gelukkig ben je naar je huisarts gegaan.’ 

Anita vertelt over haar traject, dat alle lotgenoten herkennen: de operatie, bestraling, chemotherapie, reconstructie, anti-hormoontherapie. ‘Het heeft er allemaal flink ingehakt’, vertelt Anita. ‘Behalve dat ik weinig energie heb, kamp ik ook met alles wat er in mijn hoofd omgaat. Bij alles wat ik nu voel denk ik: “wat is dit nu weer?”’  

Een behoorlijke worsteling

Ook dit roept herkenning op bij de andere vrouwen. Zo vertelt Marty dat zij haar diagnose kreeg toen ze een burn-out had. En dat zij, nu de behandelingen voorbij zijn, het liefst alles dat met kanker te maken heeft wil loslaten. Ik ben er klaar mee, maar zo werkt het helaas niet. Ik heb aan veel activiteiten bij Oriolus meegedaan en dat heeft me goed gedaan. Tegelijk wil ik het loslaten, het vergeten. Niet meer in die groep van kankerpatiënten zitten, maar verder met mijn leven. En toch… ik ben hier nu weer, ontmoet lotgenoten en dat is óók goed. Ik hoef niet altijd aan het woord te komen. Ik vind het ook fijn om te luisteren naar verhalen van anderen. Soms voel ik frustratie, omdat ik moet omgaan met de klachten die ik nog steeds heb. Dat lukt me de ene keer beter dan de andere.  

Astrid voelt óók die worsteling van het omgaan met de gevolgen van de behandeling. Allereerst heeft ze veel last van lymfoedeem. Ze zou zich hiervoor eigenlijk willen laten behandelen in Maastricht, maar de operatie wordt niet vergoed. Ik kom er maar niet achter wat de kosten zijn. Zonder dat inzicht kan ik er niet zomaar zelf aan beginnen. Ik moet rondkomen van een minimum inkomen, dus veel financiële ruimte heb ik niet. Ook twijfelt Astrid of ze wel of niet een borstreconstructie wil. Nu heb ik losse protheses in mijn bh, maar wil ik dat voor altijd? Tegelijk zie ik op tegen de operatie. Ik heb al eens een fijn gesprek gehad met de chirurg, maar de twijfel blijft. Ze schiet even vol: Ik ben het toch waard? Het lukt me niet om de knoop door te hakken. Stoer voegt ze eraan toe: Ik ga nóg een afspraak maken met die chirurg. Ik wil toch kijken of ik een stap verder kan komen in dit proces.  

Wat zegt je lichaam?

Anita vertelt hoe zij gaandeweg heeft leren omgaan met haar vermoeidheid. ‘Ik had een tijdje revalidatie, maar ik moest daarmee stoppen omdat het me zoveel energie kostte en me daardoor niet vooruithielp.’ Ze leerde goed naar haar lichaam te luisteren. ‘Ik weeg bij alles af: wat doe ik wel, wat doe ik niet? Avondactiviteiten lukken me niet, daar heb ik me maar bij neergelegd. Soms ga ik wel drie keer op een dag even liggen. Ik slaap niet, maar ik rust een klein halfuurtje.’ 

‘Knap’, reageert Yvonne. ‘Mij lukt dat niet goed. Ik ging en ga nog steeds te lang door. Ik vind een goede balans moeilijk. Ik weet dat ik veel afspraken achter elkaar niet red en toch ontkom ik er soms niet aan. Ik heb vier keer in de week fysiotherapie; voor een bindweefselziekte waar ik therapie voor nodig heb.’ Yvonne heeft veel last van neuropathie, in handen en voeten. Daarvoor gaat ze naar een pijnpoli; binnenkort wordt geprobeerd om de pijn met speciale pleisters wat te verlichten. De laatste twee chemobehandelingen van Yvonne (rond Kerst 2025) kreeg ze een iets lagere dosis, om nog grotere schade aan de zenuwen te voorkomen. Ze wilde dat eigenlijk niet. ‘Ik ben zo bang dat de werking daardoor niet voldoende is. Ik wilde er álles aan doen om te voorkomen dat de kanker terugkomt. Dán maar neuropathie, dacht ik. Maar er is me verzekerd dat dit een veilige keuze was.  

‘Er alles aan willen doen om ervoor te zorgen dat de kanker niet terugkomt’, dat is iets wat Desirée vaker hoort. Een gevoel dat ze goed kan begrijpen, maar dat je ook lam kan slaan. ‘Probeer het een plek te geven, je erbij neer te leggen’, is haar advies. ‘Want erover blijven piekeren helpt niemand, jou ook niet.’  

Hoe ga je hier vandaan?

Voor we het weten zijn er twee uren voorbij. Twee intense uren, van ervaringen en verhalen delen, van herkenning en erkenning. In alle openheid met elkaar in gesprek gaan, dat is zo bijzonder aan een bijeenkomst met lotgenoten. Gastvrouw Henny, die ook mee heeft geluisterd, zegt het zo: Ik heb hier vier moedige, sterke vrouwen gezien. Ik wil jullie bedanken voor die openheid. Jullie mogen trots zijn op jezelf! Op de vraag van Desirée hoe de deelnemers op deze ontmoeting terugkijken en hoe ze naar huis gaan, is het antwoord vrij unaniem: iedereen is moe. Maar, sluit Anita af, ik vond het fijn en beladen tegelijk. Te weten dat ik niet de enige ben, dat mijn verhaal herkend wordt, dat we dat met elkaar kunnen delen met een lach en een traan. Ik voelde een drempel, maar ben blij dat ik er overheen ben gestapt.  

‘Je hoeft niet dezelfde culturele achtergrond te hebben om aansluiting bij elkaar te vinden’

In sommige gemeenschappen is de drempel naar vroege opsporing bij borstkanker een hoge. Vrouwen begrijpen de uitnodiging voor het bevolkingsonderzoek niet omdat ze de taal niet machtig zijnschamen zich voor onderzoek of denken dat het geld kost. En dat terwijl vroege opsporing de kans op genezing sterk vergroot. Ga naar deze vrouwen toe, zegt gezondheidswetenschapper Samia Kasmi-Abali van stichting Mammarosa.

Borstkanker is besmettelijk. Het is je eigen schuld en daarmee slecht voor de familiereputatie en huwelijkskansenMet name in Zuid-Aziatische landen als India en Pakistan zijn het overtuigingen die in sommige gemeenschappen nog hardnekkig rondzingen, toont onderzoek van de universiteit van Stanford aan. Ook in andere culturen doen soms verhalen over borstkanker de ronde die ervoor zorgen dat vrouwen zich liever niet laten onderzoeken, ook niet wanneer ze klachten hebben. Zo stuitten onderzoekers in Arabische gemeenschappen vaker op terughoudendheid van vrouwen om hun borsten te laten onderzoeken door schaamte, en de overtuiging dat aan de wil van God niets valt te veranderenIsommige Afrikaanse gemeenschappen speelt de invloed van traditionele genezersEn dan bestaat er nog genderongelijkheid, waardoor vrouwen soms minder regie hebben over hun zorgkeuzes, en simpelweg een gebrek aan kennis over screening en borstkanker in het algemeen. De gevolgen kunnen groot zijn. Juist bij borstkanker vergroot vroege opsporing de kans op succesvolle behandeling aanzienlijk.  

Kwetsbare groepen

Toch is cultuur zelden de enige verklaring waarom vrouwen zorg mijden. ‘Armoede, stress, beperkte gezondheidsvaardigheden door onder andere een taalbarrière, toegang tot zorg, en vertrouwen in instanties blijken minstens zo belangrijk,’ zegt gezondheidswetenschapper Samia Kasmi-Abali. ‘In de praktijk gaat het om een combinatie van die factoren.’, Die valt niet zomaar toe te schrijven aan specifieke culturen, maar veel meer aan het feit dat het vaak gaat om vrouwen in kwetsbare situaties, veelal woonachtig in kwetsbare wijken. Een doelgroep voor wie goede voorlichting over borstkanker júist zo belangrijk is, omdat mensen uit kwetsbare wijken volgens onderzoek hoe dan ook vaak korter leven dan de gemiddelde mens in Nederland. Met stichting Mammarosa brengt ze daarom voorlichting over borstkanker naar plekken waar die vrouwen zich vertrouwd voelen.

Buurthuizen en wijkcentra bijvoorbeeld, vrouwenorganisaties, peutercafés en gebedshuizen. Vrijwilligers, vaak sleutelfiguren die al bekend zijn bij deze vrouwen en ervaringsdeskundigen, gaan er in gesprek over borstkanker, het bevolkingsonderzoek en het belang van vroege opsporing. Ook brengen ze lotgenoten met elkaar in contact. Zo hopen ze de zorgverschillen in Nederland te verkleinen. ‘Want iedereen, ongeacht achtergrond, opleiding, taalniveau of woonwijk, verdient dezelfde kans om tijdig hulp te krijgen’, zegt Kasmi-Abali. Haar missie is niet alleen een professionele: zelf verloor ze drie tantes aan borstkanker.  

In gesprek gaan

‘Je hoeft niet dezelfde culturele achtergrond te hebben om aansluiting bij elkaar te vinden’, vervolgt ze. ‘Veel belangrijker is dat vrouwen zich gezien, gehoord en serieus genomen voelen.’ Waar traditionele voorlichting vaak bestaat uit folders en campagnes, eenrichtingsverkeer dus, kiest Mammarosa bewust voor gelijkwaardige gesprekken. Door vrouwen vragen te stellen over wat bij ze leeft, vertellen ze vaak makkelijker wat hen tegenhoudt als het gaat om borstkankeronderzoek, merkt Kasmi-Abali. Zo zijn sommigen bang dat een diagnose automatisch een doodvonnis betekent. Ook leven zorgen over vrouwelijkheid, relaties en seksualiteit na een behandeling. Of zijn vrouwen bang dat het onderzoek geld kost. ‘Iedere vrouw heeft haar eigen verhaal en behoeften.’  

En: soms blijkt de drempel naar de zorg te hoog. ‘Een vrouw begrijpt de informatie in de uitnodigingsbrief voor het bevolkingsonderzoek bijvoorbeeld niet. Of iemand ziet op tegen het regelen van een DigiD, dat nodig is om online een afspraak te kunnen maken. Weer een ander moet naar een onderzoekslocatie aan de andere kant van de stad en heeft geen vervoer. In sommige buurthuizen regelen vrijwilligers daarom kinderopvang, helpen ze met afspraken maken of gaan vrouwen gezamenlijk naar het bevolkingsonderzoek.’ Ze stoort zich eraan dat organisaties vaak beweren dat deze vrouwen moeilijk te bereiken zijn. ‘Ze zijn niet moeilijk te bereiken, we denken te moeilijk. Ga naar ze toe. Zie ze. Ga met ze in gesprek, in plaats van achter een bureau iets voor ze te bedenken.’ 

Voorlichting en steun

Mammarosa werd bijna twintig jaar geleden opgericht door Lide van der Vegt, docent Nederlands als tweede taal. Tijdens haar lessen merkte ze dat de vrouwen in haar klas vaak nauwelijks iets wisten over borstkanker. Toen sommige vrouwen na haar voorlichting signalen van borstkanker herkenden, groeide bij Van der Vegt het besef dat toegankelijke voorlichting hard nodig was. Tegelijkertijd zag ze hoe belangrijk steun van lotgenoten kon zijn. Daarom kreeg de stichting vanaf het begin een dubbel doel: vrouwen informeren over borstkanker en vroege opsporing, én vrouwen met borstkanker ondersteunen via lotgenoten die dezelfde taal of achtergrond delen. Een belangrijk onderdeel van die aanpak is tegenwoordig het lotgenotencontact. Vrouwen met borstkanker krijgen daarbij ondersteuning van iemand die ook naast hen staat bij niet-medische vragen. Dat kan gaan over praktische zaken zoals die kinderopvang, maar ook over emoties, familie, werk of communicatie met de omgeving. 

Door de privacywetgeving ziet Mammarosa niet hoeveel vrouwen dankzij goede voorlichting uiteindelijk de stap zetten naar het bevolkingsonderzoek of een arts. Kasmi-Albali: ‘Maar als één vrouw zich na onze voorlichting al bewuster is van haar gezondheid, en ze die op de eerste plek durft te zetten, vind ik dat al winst. Gezondheid begint niet pas in de spreekkamer, als iemand al borstkanker heeft.’ 

Colofon

Edities

Blad B is een uitgave van Borstkankervereniging Nederland
Meer weten? www.borstkanker.nl

Sluit