8 / 10
Tumortype kan veranderen bij uitzaaiingen

Tumortype kan veranderen bij uitzaaiingen

Bij uitzaaiingen kan het type borstkanker veranderen. Dat gebeurt vaker dan je misschien denkt. Wat verandert er precies, hoe vaak komt het voor en wat betekent dit voor de behandeling? 

Marissa Meegdes is arts-onderzoeker en in opleiding tot medisch oncoloog. Op 17 september 2026 verdedigde zij haar proefschrift aan de Universiteit Maastricht. Een van haar onderzoeken gaat over een onderwerp dat voor veel vrouwen met uitgezaaide borstkanker relevant is: hoe vaak verandert het type tumor bij een uitzaaiing en wat betekent dit? 

Welk type borstkanker heb je?

Kankercellen kunnen aan hun buitenkant receptoren hebben. Dat zijn eiwitten die signalen opvangen, waardoor de kankercel kan groeien. Er zijn twee soorten receptoren: HR en HER2. 
Een tumor is HR-positief als hij een hormoonreceptor heeft (oestrogeen of progesteron). Dit komt veruit het meeste voor. Ongeveer drie op de vier patiënten met uitgezaaide borstkanker heeft dit type.  

Daarnaast is er de HER2-receptor, een eiwit dat celgroei stimuleert. Een tumor met veel van deze receptoren heet HER2-positief. 

Op basis van deze twee receptoren zijn er vier subtypes: HR+/HER2-, HR+/HER2+, HR-/HER2+, en triple negatief (TN), waarbij geen van de receptoren aanwezig is.  

Het subtype bepaalt wat de best passende behandeling is. Hormoontherapie werkt alleen als er hormoonreceptoren zijn, HER2-gerichte therapie alleen als HER2-positief is. Verandert het type borstkanker, dan heeft dit gevolgen voor de behandeling. 

Het type tumor wordt bepaald met een biopt: een kleine hoeveelheid weefsel dat met een naald wordt weggenomen en onderzocht. De handeling heet biopsie. 

Hoe vaak verandert het subtype bij uitzaaiing?

Meegdes onderzocht 2.854 patiënten met uitgezaaide borstkanker uit het SONABRE-register. Dat is een groot register waarin elf ziekenhuizen in Zuid-Nederland gegevens bijhouden van patiënten met uitgezaaide borstkanker. Van 748 patiënten was zowel het subtype van de oorspronkelijke tumor als van de uitzaaiing bekend. Bij 18% van deze patiënten veranderde het subtype in de uitzaaiing.  

‘De verandering was vooral bij patiënten met een HR+/HER2+ tumor’, vertelt Meegdes. ‘Daar veranderde het subtype van de uitzaaiing bij maar liefst 55% van de patiënten.’ Waarin veranderde de uitzaaiing?
Meegdes: ‘Bij 26% van HER2-positief naar HER2-negatief, 21% van HR-positief naar negatief en bij 8% allebei, dus naar Triple Negatief (TN).’ De figuur toont per subtype hoe de veranderingen zijn.  

De vier taartdiagrammen tonen per subtype van de eerste tumor hoe vaak het subtype van de uitzaaiing hetzelfde bleef of veranderde. N= betekent het aantal patiënten.

Waardoor verandert het subtype?

Het ligt voor de hand te denken dat eerdere behandelingen het subtype beïnvloeden. Als hormoontherapie bijvoorbeeld de oestrogeenreceptoren aanvalt, zouden alleen de kankercellen zonder die receptor kunnen overleven. Die gedachte is begrijpelijk, maar Meegdes vond er geen bewijs voor. ‘Bij patiënten met en zonder eerdere behandeling, zagen we ongeveer even vaak verandering van het subtype. Het is dus niet zo dat behandeling de belangrijkste verklaring is.’ 

De verklaring ligt waarschijnlijk in de biologie van borstkanker zelf. Borstkanker is een heterogene ziekte: een tumor bestaat uit vele verschillende kankercellen, die niet allemaal dezelfde receptoren hebben. 

‘Bij een uitzaaiing kunnen andere cellen de overhand krijgen. Daarbij beïnvloeden bijvoorbeeld bij het subtype HR+/HER2+ de oestrogeenreceptor en de HER2-receptor elkaar biologisch. Als de activiteit van de één toeneemt, kan die van de ander afnemen.’ 

Deze subtypeverandering is iets anders dan mutatie, vertelt Meegdes. ‘Mutaties zijn permanente veranderingen in het DNA van tumorcellen, die per persoon anders kunnen zijn. Vaak hebben ze een rol bij de groei van de kanker. Het in kaart brengen van deze specifieke mutaties is in opkomst. Soms zijn er dan gerichte behandelingen mogelijk.’ 

Andere tumor, andere behandeling

Als het subtype verandert, verandert ook de best passende behandeling. Hormoontherapie heeft weinig zin als de hormoonreceptoren er niet meer zijn. HER2-gerichte therapie werkt niet als de HER2-receptor verdwenen is. Meegdes schat dat 40 tot 60 procent van de patiënten bij wie het subtype verandert, anders behandeld zou worden als dat nieuwe subtype bekend was. ‘Behandel je het verkeerde type, dan loop je het risico een therapie te geven die niet aanslaat, én mis je de behandeling die wél zou werken.’ Daarom is het belangrijk een biopt te nemen van de uitzaaiing. 

Opnieuw biopt nemen: hoe staat het daarmee?

Uit het onderzoek van Meegdes blijkt dat bij slechts 60% van de patiënten een biopt van de uitzaaiing werd genomen. Bij vier op de tien werd er dus van uitgegaan dat het subtype hetzelfde was gebleven. Dat is een gemiste kans, vindt Meegdes, ook als de uitzaaiing relatief snel na de eerste diagnose optreedt. ‘Soms wordt gedacht: de borstkanker is pas een jaar geleden vastgesteld, de uitzaaiing zal wel hetzelfde type zijn. Maar juist in die groep zagen we meer subtypeverandering dan bij patiënten bij wie de uitzaaiing veel later optrad.’ 

De richtlijn voor borstkanker in Nederland is inmiddels aangepast: bij uitzaaiingen wordt aanbevolen altijd een biopt te nemen. Dat is terug te zien in de praktijk. Het aantal biopten neemt toe naar zo’n twee derde van de patiënten. Maar er is nog ruimte voor verbetering.
‘Honderd procent zullen we waarschijnlijk nooit halen. Want niet elke uitzaaiing is goed te bereiken. Denk aan een hersenuitzaaiing of botuitzaaiing. Hoeveel risico neem je om dat stukje weefsel weg te halen? Maar als het mogelijk is, moet je het altijd proberen.’ 

Wat kun jij ermee in de spreekkamer?

Een biopsie is niet prettig. Er moet opnieuw geprikt worden, je wacht op de uitslag en het kan wat pijn doen. Maar Meegdes benadrukt dat het de moeite waard is: ‘Een extra biopsie is vervelend, maar het is wel belangrijk voor de rest van de behandeling om te weten wat er op dit moment actief is in de ziekte.’ 

Meegdes adviseert daarom bij een uitzaaiing te vragen of een biopsie mogelijk is, zodat het subtype opnieuw bepaald wordt. Dat lijkt vooral bij het HR+/HER+-type van belang. En als een deel van de uitzaaiingen wel reageert op behandeling en een deel niet, vraag dan of dat niet-reagerende deel opnieuw onderzocht kan worden. Misschien zit daar een ander subtype in dat een andere aanpak vraagt. 

‘Het is voor patiënten belangrijk te weten dat subtypes kunnen veranderen en dat dit uitmaakt voor de behandeling. Een uitzaaiing is een nieuw moment om te kijken wat er écht aan de hand is in jouw lichaam.’