Twintig jaar lang begeleidde psycholoog en psychotherapeut Christine Brouwer (59) mensen met kanker en hun gezinnen – tot ze in november 2020 zelf borstkanker kreeg. ‘Ik dacht altijd dat ik alleen aan de hulpverlenerskant van de tafel zou zitten.’
Het telefoontje kwam onverwachts – een paar maanden eerder was ze immers schoon uit de borstenbus gekomen. Maar Christine Brouwer vertrouwde het niet, ze voelde al langere tijd ‘iets’ in haar rechterborst. Haar voorgevoel bleek juist, het was foute boel. Door haar dichte borstweefsel was de tumor echter moeilijker op te sporen geweest. ‘Ik vond de diagnose vooral een gekke gewaarwording’, vertelt Brouwer. ‘Ik kende de ontreddering en angst als verhaal van de ander, nu was het ineens mijn verhaal. Alsof ik mezelf altijd had voorgehouden: als ik maar empathisch genoeg ben in de spreekkamer, zal het nooit in mijn eigen slaapkamer komen.’
Dat kwam het wel. Door haar werk was Brouwer voorbereid op wat er komen ging – ze wist immers waar kankerpatiënten mee te maken krijgen, zowel lichamelijk als mentaal. ‘Daar had ik profijt van, maar ik kampte óók met een te veel aan beelden van hoe het mis kan gaan. Namelijk de verhalen van mijn cliënten. Eigenlijk een vorm van secundaire PTSS – dat betekent dat je als professional getraumatiseerd kunt raken van de trauma’s van patiënten. In mijn hoofd waren er slechts drie opties: óf je gaat dood, óf er zijn complicaties tijdens de behandeling, óf je kunt de draad niet meer oppakken na de behandeling. Dát was de doelgroep die ik kende. Toen mijn eigen oncoloog opgewekt zei dat er ook een vierde optie bestond, namelijk dat je na een behandeling dóórgaat met je leven, had ik daar geen beeld bij. Die mensen zag ik namelijk niet in mijn spreekkamer.’
Balanceren
Omdat ze als psycholoog zoveel mensen heeft geholpen, vond Brouwer ook dat ze haar eigen ziekteproces gebalanceerd moest ondergaan. ‘Ik was immers degene die anderen hielp en die ervoor was opgeleid, dus dat moest ik toch kunnen? Ik legde de lat te hoog. Dat balanceren lukte niet. Ik werd een schim van mezelf. Naar mijn werk gaan was ook geen optie. Ten eerste was het geen goed idee omdat er nog geen vaccinaties waren voor corona, ten tweede omdat ik óók patiënt was geworden – en niet meer een behandelaar die afstand kon houden van de emoties. Eten en koken, mijn grootste hobby’s, gingen niet meer. In de spiegel zag ik iemand die steeds magerder werd, kaal en ontzettend gespannen was.’
Door haar eigen kankerproces met alle bijbehorende emoties – na een jaar was ze klaar met alle behandelingen – kreeg Brouwer een meer doorleefd begrip voor angst en depressie. Het heeft ook een meerwaarde in de behandelkamer, merkt ze. ‘Als iemand in mijn spreekkamer angstig is en twijfelt over medicatie, kan ik daar wel iets zinnigs over zeggen. Ik wéét hoe het is om iedere dag stijf van de angst wakker te worden. Hoe mijn eigen man me op sleeptouw moest nemen, samen met de hond. Hoe we ’s ochtends een stukje gingen wandelen, ik halverwege de dag eindelijk een beetje op gang kwam en het hele riedeltje de volgende dag opnieuw begon.’
Schrijven over kanker
Het idee om een boek over kanker te schrijven kwam al vrij snel. Brouwer: ‘Als psycholoog weet ik dat schrijven helpt om gevoelens een plek te geven. Ik merkte dat ik een rijk netwerk had waarop ik terug kon vallen tijdens mijn angst en somberte, maar ook dat het een behoorlijke klus is om overeind te blijven. Ik wist daarnaast veel door de lessen die ik gaf. Maar wat als je die kennis niet hebt?’
Herkenning, troost, zelfs humor, ‘ja écht’, grinnikt Brouwer: het komt allemaal terug in Leven en borstkanker. En veel praktische tips, dat ook. Zo gaat één hoofdstuk over werk als stressfactor. ‘Mijn eigen terugkeer naar mijn oude praktijk verliep niet goed: ik voelde me kwetsbaar en onzeker en daar was geen ruimte voor. Je kunt echter ook tegen andere dingen aanlopen, zoals collega’s die ineens heel beschermend zijn of zelfs je werk hebben overgenomen. Terwijl werken je juist handvatten kan geven om je leven ná de behandeling weer op te pakken – dan ben je weer professional in plaats van patiënt. Zorg dus dat je in gesprek blijft met HR of maak het bespreekbaar bij je bedrijfsarts.’
Ook seksualiteit komt aan bod, vervolgt Brouwer. ‘Het kost tijd om je lichaam na de behandeling te herontdekken, te liefkozen. Dat kan pittig zijn: zo sprak ik een vrouw die haar borsten al twee jaar niet aan haar man had laten zien. Zelf had ik gelukkig een verpleegkundige die voorstelde om samen met mijn man naar de wond te kijken. Ik vond het eng, hij vond het eng, maar nu hoefden we er niet schuchter omheen te dansen.’
Luisteren naar angst
Hoewel haar eigen behandeling succesvol was, sluimert er altijd wel ergens de angst voor terugkeer van de kanker. Herkenbaar voor veel patiënten, weet Brouwer – in haar boek spreekt ze met verschillende vrouwen over hun ervaring. ‘Zelf heb ik mijn angst voor een recidief meestal redelijk onder controle. Maar soms komt er een dag waarop alles samenvalt en die angst zich ineens weer laat voelen. Het helpt om ernaar te luisteren. Noteer wat de angst je probeert te vertellen, en zeg hem vervolgens: ‘Ik heb je gehoord, ik ga dat en dat doen en voor nu kun je weer gaan.’ Probeer daarna actief je gedachten te verzetten naar iets anders. Bak een taart, ga wieden in de tuin of maak een wandeling. Het kan ook troostrijk zijn om schrikreacties te zien als golven: ze komen, maar ze gaan ook weer.’
Ook voor naasten
Brouwer richt zich in haar boek niet alleen maar tot (ex)-kankerpatiënten, het is ook voor naasten bedoeld. Geen enkele ziekte heb je immers alleen, weet ze. ‘Ineens is er een factor die jullie leven van buitenaf bepaalt en die jullie planning in de war schopt. Het heeft impact op het hele systeem. Ik voelde me bijvoorbeeld ontzettend schuldig dat mijn kinderen dit óók moesten ondergaan. Zo moest mijn zoon twee weken lang op zijn studentenkamer blijven toen hij corona kreeg. Thuiskomen was geen optie, te risicovol. Mijn dochter mocht niet meer sporten – al die meiden zaten immers bij elkaar in de kleedkamer. En mijn schoonmoeder voelde blinde paniek toen ik kanker kreeg – haar eigen moeder overleed aan de ziekte toen zij achttien was. Gelukkig was er ruimte voor het feit dat ik haar angst niet trok, maar het laat zien dat je kanker niet alleen hebt.’
Die boodschap geeft ze ook mee in haar boek. ‘Ik hoop dat patiënten én hun naasten het lezen en passages met een potlood omcirkelen, om het vervolgens samen te bespreken.’ Volgens Brouwer is het overigens belangrijk om af te spreken wannéér je het over kanker gaat hebben. ‘Stel dat jullie nét in de zon van een kopje koffie genieten en je gesprekspartner ineens over die ene scan begint, terwijl jij op dat moment helemaal niet aan kanker dacht – weg ontspannen moment. Als je weet wanneer je over kanker gaat praten, hoef je niet altijd op je hoede te zijn.’ Hetzelfde geldt trouwens voor kinderen, vervolgt ze. ‘Kinderen trekken vaak hun eigen conclusies, gebaseerd op wat ze zien, horen of eerder hebben meegemaakt. Een wekelijks ‘overleg’ biedt een veilige manier om te checken wat er in het hoofd van je kind omgaat. Luister en geef antwoord op de vragen die gesteld worden. ‘Zelfs ‘ik weet het niet’ is een antwoord.’
Brouwer hoopt tot slot dat haar boek helpt om je eigen behoeften voorop te stellen, eens níet beleefd en aardig te doen. ‘Vrouwen worden vaak opgevoed met het idee dat je met iedereen in contact moet blijven, maar als iets of iemand je geen energie geeft of met onbedoelde adviezen komt, hoef je daar niet op in te gaan. Dat heb ik zelf ook geleerd. Zoek vooral wat bij jou past, of dat nou knuffelen met de kat, wandelen met de hond of theedrinken met de buurvrouw is. Richt je kortom op de mensen aan wie je wat hebt, die energie geven.’